De zwaarste speedbootroute van deze once-in-a-lifetime eilandentrip is toch wel de route die ons in bijna twee uur van het laatste eiland Atidub naar het vasteland brengt. Niet omdat de bergen van golven ons teisteren, nee, de zee is relatief rustig, maar omdat de avond één dag eerder er als een sloopkogel in heeft geknald. Bij mij valt het wel mee, maar Geertje voelt zich als door een vrachtwagen aangereden. Nog voor het ontbijt werd de maag al oraal geleegd en als je dan nog anderhalf op die dodemansboot moet zitten, dan kun je zelf ook wel bedenken hoe het gaat.
De grensovergang aan Panamese zijde
Aan land arriveren we in Puerto Obaldía, een Panamees grensdorpje waar we ons uitreisstempel in het paspoort zetten. Dat betekent weer dat we op z’n Latijns-Amerikaans moeten wachten en het duurt anderhalf uur voordat de paspoortcontrole geopend wordt.
Ik stap onze boot uit, samen met Geertje, de Fransen, Duitsers en onze Belg. Even later zie ik Geertje nergens meer. Was die muts samen met haar kater terug naar de boot gewandeld. Gelukkig was ze niet alleen en werd ze vergezeld door een meute vrouwen, maar zoals dat doorgaans gaat met vrouwen en navigeren, raakten ze de weg kwijt in het Puerto Obaldía, wat gezien de hoeveelheid straten een ware kunst is.
In de tussentijd eten we klamme, vette, natte hamburgers van een allerliefst vrouwtje. Hamburgers die normaal gesproken niet te vreten zijn vanwege het vet dat er vanaf druipt, maar die nu perfect passen bij de lome staat waarin we door de Cuba Libre Mojitos van gisteravond nu verkeren. De tijd doden we met spelletjes en de Fransen openen het bal met Yahtzee. Geertje doet niet mee. Die heeft eerst de grond en daarna een bankje afgebakend als haar territorium, waarbij haar tas fungeert als hoofdkussen. Gigi brengt de ochtend bij de grensovergang horizontaal door. Zo vliegt de tijd ook voorbij.
Na twee uur zijn alle paspoorten gestempeld en zetten we koers naar Sapzurro in Colombia en na een kwestie van minuten is daar aan onze rechterhand de fysieke grens van Panama en Colombia. Duidelijk te zien ook: een enorme rotswand in het water die verticaal in tweeën is gespleten. Buiten een letterlijke grens ook een vrij symbolische en wat het nog symbolischer maakt, is dat we stoppen om ernaar te kijken en als die speedboot geen 110 km/u gaat, maar stil op die golven blijft dobberen, dan ga je dus die zeeziekte voelen. Voor de katerige magen is dit niet het allerbeste idee en natuurlijk is het onze Gigi die eraan onderdoor gaat en precies op de grens van Zuid- en Noord-Amerika, gaat Geertje de vissen voeren. Ergens doet een vis zich nu tegoed aan de resten van een veel te vette hamburger. Maar belangrijker: wie kan er nu zeggen op een continentale grens gekotst te hebben?
De Darién Gap
Helaas hebben we geen foto van de grens (de Zwitserse Janine had een foto gemaakt, maar heeft 'm (nog) niet doorgestuurd). Niet alleen omdat-ie voor ons nu zo symbolisch is, maar de grens is ook prachtig en ruig. Sowieso is het een prachtige route die we afleggen vandaag. We hebben de kust aan onze rechterhand, de hele dag, en de natuur wordt ruiger en ruiger. Dat is ook niet gek, want we bevinden ons op dit moment in een van ’s werelds meest rauwe en beruchte jungles: de Darién Gap.
Wie ooit van de Darién Gap gehoord heeft, weet dat dit een heel erg bijzondere, maar ook buitengewoon gevaarlijke plek is. Zo is er bijvoorbeeld een Panamerican Highway die helemaal van het noordelijkste puntje van Alaska tot in helemaal het zuidelijkste puntje van Argentinië loopt. Prachtig om die een keer te rijden, lijkt ons, ware het niet dat die weg op maar één plek onderbroken wordt. Jawel, dat is hier, in de Darién Gap. De jungle hier is zo ruig, zo dicht, dat het op economisch vlak gewoon ondoenlijk is.
Daarnaast is het ook een plek waar je liever niet wil zijn, want hier gebeuren de meest schimmige dingen. Omdat het terrein zo onbekend is, loopt er een levensgevaarlijke vluchtelingenroute dwars door deze jungle. Logisch, want het enorme Zuid-Amerikaanse continent trechtert hier opeens naar het smalle Midden-Amerika. Venezolanen (voordat Maduro van de troon werd gestoten), steeds meer Ecuadorianen, maar ook vluchtelingen uit Afrika en Azië bewandelen dagelijks in honderd-, misschien wel duizendtallen deze route. Illegale mensenhandel in deze contreien is niet vreemd en ook de drugskartels die in bepaalde delen van Colombia de baas zijn, hebben in Chocó, het district dat de Colombiaanse kant van de Darién Gap vormt, de touwtjes heel stevig in handen.
Dat wetende, vinden we het zo bizar en zo vet om hier te zijn. We zien op weg naar Sapzurro een oerwoud aan groen en ruige golven die tegen stugge rotspartijen aan kletsen. Magnifieke natuur, op z’n allerbest, maar tegelijkertijd wetende dat er zich onder dat prachtige bladerdek van groen de meest schimmige dingen afspelen. En die spanning, die voelt heerlijk. Maar is Sapzurro, dat plaatsje waar we heen gaan, dan wel veilig? Want je had het je waarschijnlijk al wel bedacht: Sapzurro heeft een donkerroood reisadvies, een advies dat ook aan Oost-Oekraïne, Soedan en de Gazastrook wordt toebedeeld.
We hebben in Panama-Stad ontdekt dat het luisteren naar ons onderbuikgevoel een heel erg goede raadgever is en we hebben ook geleerd dat de realiteit op sommige plaatsen heel anders is dan dat de media je, niet kwaadschiks, doet geloven. We hebben behoorlijk veel research gedaan, want toen we in Panama-Stad ontdekten een speedboottour te hebben in plaats van een zeilboottour, wisten we ook meteen dat onze eindbestemming Capurganá (dorpje iets verderop van Sapzurro) zou zijn in plaats van Cartagena. Dat was schrikken, maar we hebben wel al ruim driehonderd euro per persoon aanbetaald. Veiligheid is natuurlijk het belangrijkste, dus die driehonderd euro verlies hadden we genomen als we het niet hadden gedurfd. We hebben reisadviezen van andere landen bekeken en ontdekten dat Nederland vrij fors is in Colombia. Toegegeven: nooit wordt het reisadvies geel, maar er zijn ook maar weinig landen die een rood reisadvies geven (volgens mij maar eentje van de landen die we gecheckt hebben, naast Nederland, maar welke weet ik niet meer). Vaak is dit gebied oranje. Oké, dat betekent alsnog dat we beter niet kunnen reizen dus neemt Geertje contact op met wat Nederlanders die er zijn geweest en die dezelfde tour hebben gedaan en horen veel verhalen over mensen die in Capurganá zelfs een nachtje bijboeken en louter positief zijn, maar we zijn pas echt overtuigd als we in contact komen met een Nederlander in Medellín die voor de Colombiaanse binnenlandse veiligheid heeft gewerkt en een lange tijd in de Golf van Urabá, de zee waar Sapzurro en Capurganá aan liggen, heeft gezeten. Het reisadvies voor de dorpen is overdreven. Natuurlijk, trek die verdoemde jungle niet in, want de kartels en de FARC wil je niet tegen het lijf lopen, maar zelfs dan: kartels en guerrillagroepen hebben geen baat bij het beroven of ontvoeren van toeristen en de kustdorpen zijn veilige havens voor iedereen. En onze organisatie, San Blas Adventures, doet deze tour al meer dan tien jaar.
Kortom, luister naar je onderbuikgevoel, doe research, gebruik gezond verstand en ga met locals of gerenommeerde gidsen. We hebben behoorlijk getwijfeld. Gaan we wel, gaan we niet. Vliegen we dan naar Colombia? Achteraf met gemak de beste keuze!
Sapzurro
We stappen uit in Sapzurro. Een klein kustdorpje en inderdaad: hier gebeurt he-le-maal niks. Het is slaperig op de straatjes, de mensen eten bij restaurantjes en ze zwemmen in het water. Rood gebied. Oorlogsgebied, als je het zou moeten geloven. Ergens wel treurig, want als we om ons heen kijken, dan is Sapzurro een dorp waar de mensen gewoon willen rondkomen, waar restaurantjes staan die wel baat hebben bij wat meer drukte, waar een plattegrond met legenda staat over mooie plekjes in de buurt. Ze zouden zelfs wel wat meer toerisme kunnen gebruiken.
Na een lunch gewikkeld in bananenblad met de pittigste saus van deze reis en een wondermedicijn dat Geertje van Dani krijgt, eten we een ijsje dat volgens Geertje de allerlekkerste ooit is en nemen we afscheid van onze bootcrew en benoemen we allen ons meeste bijzondere ervaring van de reis. Achteraf is het zo mooi dat je in zo’n korte tijd zo hecht kan worden met zo’n groep, alsof je ze al jaren kent. Wat een groep hadden we. Als je van tevoren bedenkt dat je een paar dagen naar tropische eilanden gaat, kan ik me voorstellen dat niet iedereen die zich ingeschreven had, zou verwachten dat de trip zo ruig, lomp en primitief zou zijn. Douchen met emmers, lompe zeeën, slapen in hangmatten: noem maar op. Niemand, maar dan ook niemand, klaagde ook maar ergens over. Iedereen hielp elkaar, iedereen was flexibel en binnen no time waren we een hechte groep. En dat is top.
De crew vaart met de volgende groep (en Jessy, die al in Atidub achterbleef) terug naar Panama. Met een andere boot varen we naar Capurganá, waar Noa ons door de migratie heen zal helpen en we officieel een Colombiaans paspoortstempel in ons paspoort zullen krijgen.
Naar het migratiekantoor in capurganá..?
Maar dat lukt niet. We komen aan in Capurganá en wat denk je? Migratiekantoor is gesloten! Zou eigenlijk niet de bedoeling zijn, maar we waren van tevoren al gewaarschuwd: we zijn in Latijns-Amerika, hier doen ze het rustig aan en doen ze maar net waar ze zin in hebben. Als we onze spullen uitpakken in ons hostel (we slapen vanavond met z'n zessen, want we delen een krappe kamer met Anne-Julie, Lola, Holly en Danielle) en verzamelen in de gemeenschappelijke ruimte. Op dat moment zijn we al een uurtje of vijf illegaal in een gebied met een rood reisadvies. Bucketlist, iemand?
Je kunt je wel voorstellen dat dat een beetje stress oplevert, toch? Nou, de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er nog minder dan 0% stress was! We gaan de straat op en wat blijkt: Capurganá LEEFT. “Haha, this is Colombia, welcome, go with the flow!” roept de Argentijnse Noa nog met een plaatsvervangende trots. Maar serieus: in Capurganá wonen zo’n 2000 mensen, er zijn geen wegen die hiernaartoe leiden (alles gaat per boot) en er zijn dus ook geen auto's, maar al die 2000 mensen hier zijn op straat te vinden. O-ve-ral klinkt muziek, iedereen danst en het dorp is één groot gekkenhuis. Van tevoren vraag je je altijd af of je het merkt wanneer je in een nieuw land komt en van Panama naar Colombia? JA! Echt waar, de Colombianen hebben geen vier, maar vijf primaire levensbehoeften: voeding, kleding, onderdak, gezondheidszorg en een speaker om muziek door de straten te kunnen blazen.
Wij nemen die avond met onze groep plaats bij een buitenrestaurantje waar we een heerlijke lasagne krijgen (nog altijd part of the tour) en de cocktails en shotjes (op kosten van clown Lucas) rijkelijk vloeien en binnen de kortste keren staan we net als de rest van dit dorp dat een explosie aan levendigheid is, te dansen op de straat. Noa weet nog een discotheekje, net buiten het dorp en rond twaalven gaan ook daar in een rieten hutje aan het water de voetjes van de vloer. Heel laat maken we het niet, want een wondje onder Geertjes voet begint een klein beetje te ontsteken (van het koraal, weet je nog?), dus besluiten we bijtijds te gaan, maar laat naar bed gaan betekent niet dat we nog niet geleerd hebben dat die Colombianen Knettergek zijn met een hoofdletter K. Voor Colombianen staat het leven voorop.
Een dag later is na het ontbijt het officiële gedeelte van de San Blas-eilandentour ten einde. Noa is nog nergens te bekennen en het migratiekantoor tegenover ons hostel is nog altijd gesloten. Floor heeft half-half wat met een vriendin afgesproken in Cartagena, de levendige Caribische stad aan de noordkust waar wij ook heen willen. Jay en z’n vriendin Carys hebben al een hotel geboekt in Cartagena. Ann-Julies groepsreis in Medellín start vanavond en Fin en Sara willen het noorden van Colombia nog zien alvorens ze naar Rio de Janeiro vliegen voor Carnaval. Waar de helft dus besluit om nog een dag langer (en sommigen zelfs twee dagen langer) te blijven, wil de andere helft eigenlijk wel graag gaan. En wij? Wij doen go with the flow. Als het migratiekantoortje vandaag nog open gaat, dan gaan we mee naar Cartagena. Zo niet, dan boeken we bij in Capurganá en gaan we een dagje later. Van tevoren hadden we afgesproken het rode gebied zo snel mogelijk te willen verlaten. Nu we er eenmaal zijn en het hier enorm mee blijkt te vallen, laten we het maar een beetje op z’n beloop.
Om 7.00 en 10.00 vertrekt een boot naar het havenstadje Turbo aan de andere kant van de Golf van Urabá, maar als het 09.30 is en het migratiekantoor nog steeds gesloten is, vindt Floor het net als wij wel gezegend. Volgens Luis blijken er technische problemen te zijn bij het migratiekantoor, waardoor ze nog steeds dicht zijn om 10:30. Lola en Holly geven de moed niet op en willen met de mensen die weg willen een privéboot regelen zodra we legaal in Colombia verblijven en Ann-Julie heeft die groepsreis nog in haar hoofd zitten, dus we laten hun lekker daar mee bezig gaan en we zien wel of het lukt. We maken met Floor een wandelingetje door het dorp en gaan kijken waar we de rest van de dag kunnen blijven. Twee hostels weten ons wel te bekoren en we besluiten te overleggen of er nog meer mensen mee willen. Wij besluiten uiteindelijk dus gewoon te blijven en te relaxen.
Je hebt inmiddels al door dat ze hier alles op z’n elfendertigst doen. Maar zoals het ook vaak lijkt te gaan, valt alles opeens, plotseling, op z’n plek. Alsof Harry Potter zelf een onmogelijke puzzel in elkaar tovert. Zo ook nu. We horen dat er nóg een boot gaat om 12.00. We geven het weinig kans, maar dan opeens gaat het migratiekantoor om 11.00 open. Wij besluiten dat we toch gaan proberen om mee te gaan met die boot samen met Floor en het plan om te chillen bij een hotel/zwembad gaat meteen van de baan. Maar het personeel van de immigratie wil eerst lunchen, want ja, ze hebben de afgelopen anderhalve dag al zo hard gewerkt, en het is 11.35 als ze klaar zijn met het eten van hun vis met rijst. 25 minuten de tijd om een Colombiaans stempeltje te bemachtigen en een bootticket naar Turbo te boeken. Een schier onmogelijke taak, zo lijkt het, maar niets is minder waar: om precies één voor twaalf zitten we met tien man sterk– wij twee, Ann-Julie, Floor, Lola, Holly, Sara, Fin, Jay en Carys - op de boot naar Turbo!
Op naar Turbo
Turbo is natuurlijk wel een gruwelijk lijpe naam voor een havenstadje, maar het is er minder leuk dan dat het klinkt. We varen van rood naar oranje gebied, maar volgens die Nederlander die voor de Colombiaanse binnenlandse veiligheid werkte, is Turbo een luguber en sketchy stadje. Het is immers een havenstad in een enorme baai in een gebied dichtbij de Darién Gap gecontroleerd door de kartels en guerrillagroepen als de FARC. Dat klinkt veel enger dan het is, want alle mede-Colombianen op die boot zijn ook maar gewoon normale gasten, maar dat betekent dus wel dat Turbo een hot-spot kan zijn voor schimmige praktijken waar je liever niks mee te maken wil hebben. Niet op verkenningstocht gaan met de camera, maar linea-recta naar de bus.
Ik voel me een beetje de vader van de groep als ik ontdek dat ik de enige van ons tien ben die zich in het Spaans fatsoenlijk weet te redden en ik voel me dus de aangewezen persoon om in de haven alvast een shuttle te regelen. Gelukkig lukt dat vrij snel en hebben we voor een redelijke prijs een shuttle die ons niet eens naar het busstation, maar zelfs helemaal naar Montería, een stad tussen Cartagena en Turbo in, brengt. Eén probleem: Anne-Julie is de enige die niet richting Cartagena gaat, maar naar Medellín, dus we maken wel een tussenstopje bij het busstation in Turbo.
Dat Turbo sketchy is, blijkt maar weer. De jolige oom die dienstdoet als onze buschauffeur en het meest platte, onverstaanbare accent van heel Noord-Colombia heeft, heeft voorin een uitrolbaar scherm dat ervoor zorgt dat de voorruit blindeert. Waarom hij die de hele tijd uitrolt wanneer we langs één van de vele politieposten rijden, blijft vaag en die reden mag je zelf proberen in te vullen. Óf de politie is hier lichtjes corrupt, of we zitten in een busje met mensenhandel als doel. Volgens het snelle, platte, onnavolgbare Spaans van de chauffeur die ik vanaf nu Emilio noem, is het meeste wat ik eruit opmaak dat het dat eerste is. Als het dat tweede zou zijn, dan zou hij het overigens niet toegegeven hebben, me dunkt.
Een afscheid en door naar Montería
Als we bij het busstation van Turbo, net buiten de stad, afscheid nemen van Anne-Julie, is het toch wel even lastig. Ze is de enige gringo in het busstation en moet net wat meer dan twee uur wachten op haar volgende bus, maar toch gaan we gewoon door. De mensen zijn hier ontzettend vriendelijk en er is genoeg gelegenheid om lekker onder de radar te blijven, dus we kiezen erop om alles gewoon te vertrouwen en ondertussen contact te houden via de app. Een goede keuze, maar we zouden liegen als we zouden zeggen dat we niet opgelucht waren toen we haar drie uur later appten en hoorden dat ze zonder ook maar een enkel probleem in die bus naar Medellín is gekomen.
Maar we zijn nog lang niet in Cartagena. De rit naar Montería is er eentje van vierenhalf uur, maar Emilio is voornemens om er een feestje van te maken. Omdat ik als enige Spaans spreek, zit ik met Geertje voorin en hij lult compleet onverstaanbaar aan één stuk door, terwijl hij als een bezetene over de soms abominabele wegen jaagt en schik heeft voor tien. Hij roept op willekeurige momenten vrolijk naar de mensen in de dorpen waar we doorheen rijden en als hij niet praat, dan zingt en danst hij wel op de muziek die natuurlijk op standje Colombia staat. Hij geeft ons nootjes, maar accepteert de chips die wij gekocht hebben niet: schaterlachend slaat hij dan op zijn buik die volmaakt rond is: 'iVoy a tener un bebé!' Emilio is een topchauffeur.
Als we in het dorpje Arboletes arriveren, wordt-ie al helemaal mooi. Emilio is al zeker een kwartier aan het oreren over zijn favoriete strandplaatsje waar hij vis eet en met alle vrouwen danst en hij sommeert ons om onze camera’s paraat te houden omdat we een foto moeten maken, en begint iedere keer te schaterlachen als we te laat zijn met de foto, omdat hij zijn gaspedaal weer horizontaal heeft. Dan is er een heel mooi hotel, zegt-ie, en daar móéten we even stoppen. En jawel, Emilio gooit zijn alarmlichten aan, parkeert bij een winkeltje tegenover een heus Disneykasteel dat bij het ondergaan van de zon in een regelrecht sprookje had gepast. Bizar: we rijden uren aaneen door kleine, onopvallende dorpjes, door arm gebied en daar opeens staat een hypermodern, fabuleus hotel in the middle of nowhere waar nog nooit geen enkele westerse toerist van gehoord heeft. En nog steeds niet, want een naam hebben we niet. Een foto gelukkig wel. Die dekselse Emilio.
In Montería is het 8 uur geweest en een lange rit van plusminus 6 uur naar Cartagena staat nog voor de boeg, maar daar moeten we nog op wachten. Ik kom tijdens het wachten op het busstation in gesprek met Manuel, een Venezolaanse vluchteling. Niet voor lang, want we besluiten om met z’n allen naar de KFC te gaan. In het donker, in een onbekende stad, maar we zijn met een grote groep, dus het loopt allemaal los. Op de terugweg van het winkelcentrum waar die KFC was, worden we blijkbaar door twee jongens gevolgd. Als we binnen de poorten van het busstation zijn, nemen Floor, Sara en Fin een nét iets andere afslag en je had nog niet tot tien kunnen tellen of ze worden al nagefloten en nageroepen door die mannen. Ik krijg per toeval oogcontact met Sara en die gebaart me te komen en inderdaad: twee Colombianen die zin hadden in gringo. Ik krijg nog geld aangeboden voor één van mijn zeven vriendinnen, maar ik bedank ze maar. Verachtelijk gedrag? Ja, tuurlijk. Maar dat is ook Colombia. Dat is ook Zuid-Amerika. Daar heb je helaas nog mee te dealen als je hier gaat reizen. Machismo.
De laatste rit
En dan de busrit. Om half elf verlaat onze minivan Montería en zetten we koers naar Cartagena. Ongeveer zes uur rijden en het busje zit bomvol. Geen plek om je kont te keren, in het gangpad komt naast Geertje een huilende vrouw zitten die naar alcohol riekt, met haar twee kinderen en halverwege de rit ergens ter hoogte van Sint Juttemis brakend in de berm staat. Mama is geen moeder voor haar kinderen en er is meer aan de hand, dus we troosten de kinderen door ze snoepjes en drinken te geven en het dochtertje mag bij de girl gang van Holly, Lola, Fin en Sara op schoot op de achterbank. Er staat nog iemand in het gangpad van de minivan en in het instapgedeelte zit nog iemand op de ruimbagage en de handelswaar die we in de van gepropt hebben. Een rit van zes uur. Een huilende vrouw. Geen enkele bewegingsruimte. Midden in de nacht. Het zal wel een helse rit zijn, nietwaar?
Dat valt eigenlijk reuze mee. Het is ongekend bizar hoe snel je je mindset aan andere omstandigheden weet aan te passen. Geertje zit voorin met een man die veel te breed zit, maar slaapt praktisch de hele route. Ik zie haar meerdere keren bijna op de schouder van de chauffeur en zijn compagnon in slaap vallen. Ongelofelijk waar die allemaal in slaap kan vallen. Ik vermaak me met een podcast en weet als een ineengekropen egel ook nog slaap te pakken. Als je in Nederland al anderhalf uur in een ruime auto moet zitten, dan gaan we er al van janken, maar hier moet je je erbij neerleggen. Go with the flow. Dan valt het allemaal best wel mee. Zeker omdat Manuel ook bij ons in de bus zit, de Venezolaanse vluchteling, met wie ik het gesprek nieuw leven inblaas. Hij is nu niet aan het vluchten. Dat deed hij drie jaar geleden, naar Amerika. North Dakota, om precies te zijn. Nu? Hij gaat weer naar huis. Kijk, wij krijgen het Nederlandse nieuws niet mee. Trump wordt vaak als een idioot neergezet. Volkomen terecht, maar dit stukje moet iemand ons echt even uitleggen, want misschien is er een logische verklaring voor. Manuel gaat weer terug, net als andere Venezolanen, omdat totaalmaniak Maduro eindelijk weg is. Onder de Venezolanen, en ook in andere Latijns-Amerikaanse landen, is het feest. Blijdschap, geluk. Venezolanen mogen weer terug naar huis. Manuel is dankbaar. Hij reist eerst nog naar Barranquilla, een stad tweeënhalf uur ten noorden van Cartagena, waar zijn oma heen is gevlucht, waar hij een dag uitrust. Vandaar reizen ze samen terug naar Valencia in Venezuela, zijn geboortestad. Na drie lange jaren kan hij weer naar huis. Eindelijk ziet hij zijn familie weer. Venezuela heeft weer een toekomst en mensen mogen voorzichtig weer hopen.
Dat plaatst ons reisje van Montería naar Cartagena wel in perspectief. Een busritje van zes uur, terwijl Manuel al twaalf dagen van bus naar bus aan het hoppen is. Tragisch. Gedurende de reis wordt de bus steeds leger en wat ons in Capurganá aan de Colombianen al opviel, wordt ook hier steeds weer opnieuw duidelijk. Dit land lééft. Zelfs wanneer we om half twee ’s nachts stoppen in een alledaags dorpje om één passagier te droppen, klinkt overal muziek en zijn de mensen op straat om te lachen, te eten, te dansen, te zingen en te drinken. Colombia bruist. Eén ding is zeker: Colombia gaat een intense, wilde achtbaan worden.
Iets na vieren stappen we uit bij de hoofdterminal van Cartagena. We zeggen vaarwel tegen Fin en Sara, twee meiden waarmee we in korte tijd zo’n goede band hebben gekregen, want zij blijven op het station om door te reizen naar Santa Marta. Met de rest gaan we op zoek naar taxi’s. Geen vaarwel, waarschijnlijk, want we zitten allemaal in dezelfde stad. Ik open de Uber-app, maar niet nadat ik nog één keer de bus instap. Daar zit Manuel, met het rijk voor zich alleen. De enige die nog doorreist naar Barranquilla. Ik geef hem een hand, ik wens hem sterkte en vraag hem te genieten van zijn tijd met zijn oma en van het feit dat hij naar huis mag. Hij bedankt me en noemt me een vriend. Nu gaat dat in deze contreien wat sneller, maar toch raakt het me. Aan zijn blik zie ik vermoeidheid, zie ik dat hij het zwaar heeft, dat er een boek aan trauma achter zijn ogen schuilt. Maar die hartverwarmende glimlach die hij me geeft op het moment dat de schuifdeur van de bus weer dichtgaat, zegt meer dan duizend woorden.
Reactie plaatsen
Reacties
Regelmatig kippenvel Niels en Geertje! Een beetje minder mag wel...blijf genieten en pas vooral goed op elkaar! Weer alles prachtig beschreven!! Liefs van ons ❤️😘😘
Niels en Geertje,weer genoten van de bijzondere en mooie verhalen en foto's.
Wat een rollercoaster die rit naar Cartagena! Geweldig dat jullie allemaal in een relatief korte tijd zó hecht kunnen worden wetende dat over een paar uur de groep weer wordt opgedeeld. Papa Niels beschermt zijn harem tegen allerlei gespuis en ook daar kijk ik niet van op! Chapeau jochie 🎓🥋🥊! Pas ook wel heel goed op jezelf want als ik dat vermoeide koppie zie in combinatie met de emoties bij het afscheid van je Venezolaanse vriend, raad ik je aan ergens een goede slaapplaats te zoeken en een gat in de dag te slapen 💤🛌🏼!
Geertje en het 'vomitar en el mar'....bahbah. Nou ja de vissen zijn er blij mee. We houden het op zeeziek zijn :)
Je zou eerder bedenken dat jullie je billen bij elkaar zouden moeten knijpen om niet meteen aan heftige diarree ten onder te gaan in het 'rode' gebied. Pas goed op luitjes, en ook jij Nilis, als 'padre del grupo!'
Zoals jullie zeggen, gezond verstand gebruiken, research doen en vooral de 'gezonde' local aanspreken.
Arme kindjes en arme Manuek. Ik zou, zoals gewoonlijk, tranen met tuiten huilen bij zo'n verhaal. Heb je zijn adres gevraagd? Ik hoor een nieuw boek aankomen :P
Zoals gezegd, pas goed op in het bruisende Colombia!
Dikke kus, mama -X-
Capurganá lijkt me echt een heerlijke plek waar jullie geen tot weinig andere toeristen zijn tegengekomen, wel een luxe hoor voor zo’n mooi plekje!
Ik miste naast de huilende vrouw, kinderen en opgekropen gevoel, de harde muziek in de bus, maar misschien hebben ze dat voor deze rit gelaten. Lief dat jullie er voor die kinderen zijn geweest.
In het plaatje Turbo hadden jullie eigenlijk gewoon het nummer Turbo van New Kids moeten opzetten dat was pas echt passend geweest. Even lekker hakken en de mensen daar kennis laten maken met onze culturele tradities
Wat betreft Trump, als ik het met anderen over hem heb, vind ik hem niet bepaald de handigste man, maar hij heeft ook goede dingen gedaan. Net als Maduro. Het probleem met de Venezolanen lijkt zich zo voor Trump vanzelf op te lossen. Win-win, zullen we maar zeggen.
Hoe dan ook, het was weer erg leuk om jullie blog te lezen!