Het is wel weer lekker om op pad te zijn. De anderhalve week in Lima was noodgedwongen, maar het was ook wel fijn om twaalf dagen een bepaalde vastigheid te hebben gehad. We begonnen zelfs, terwijl we door Lima liepen, het gevoel te krijgen dat Lima een beetje onze stad geworden was. We waren kind aan huis bij Don Guto waar Geertje het assortiment aan mega ranzige Detox Smoothies volledig opdronk en we kenden de weg alsof we door het centrum van Den Bosch of Nijmegen liepen. Lima was ons thuis. Maar we zijn ook aan het reizen. En het werd ook wel weer tijd om volledig nieuwe prikkels te gaan ervaren en onder invloed van medicatieronde twee, is mijn energielevel naar een niveau gestegen dat ik al weken niet meer ervaren heb gehad.
Op naar Paracas dus! Drieënhalf uur ten zuiden van Lima ligt het kustdorpje Paracas. De naam Paracas heeft een gelijkaardige herkomst als die van Lima: de eerste bewoners van Lima waren de Lima's en ook in Paracas zwaaide een pre-Columbiaanse bevolkingsgroep met de scepter: de Paraca’s!
Veel meer historie ga ik je deze blog niet vertellen, want in Paracas zijn we niet om oude ruïnes te bezoeken, maar om de natuur te zien. Die schijnt in Paracas toch wel behoorlijk de moeite waard te zijn. Met z’n drieën stappen we rond een uur of vijf uit bij het nabijgelegen Pisco. Ja, Pisco, van de drank, weet je wel? Vanaf Pisco nemen we nog een taxi die ons naar Paracas brengt en ondertussen valt ons wel weer een minpunt op van Peru: de natuurlijke schoonheid van het land mag dan wel onmiskenbaar en buitenproportioneel zijn: het land kent wel een enorm afvalprobleem. Evenals in Huanchaco, de buitenwijken van Lima en in mindere mate van Huaraz, is ook de weg van Pisco naar Paracas er één die gekenmerkt wordt door eindeloos veel afval langs de wegen. Overal waar je kijkt ligt wel wat. Maar daar moeten we doorheen kijken en dat lukt ook best aardig. Want wie door al dat afval heenkijkt, mag genieten van een land waarvan de natuur met gemak tot de mooiste van de wereld behoort. Dat die vlieger ook voor Paracas opgaat, zullen we een dag later gaan ontdekken.
Maar eerst ons hotel: San Agustin heet-ie. Nu Anita met ons meereist voor een weekje, trekken we natuurlijk de portemonnee wat verder open voor onze overnachtingen, want we willen onze (schoon)moeder wel op een fijne en goede plek laten zijn. San Agustin overtreft alle verwachtingen en ik denk dat Geertje het wel met me eens is als we zeggen dat San Agustin de top één van onze accommodaties van deze reis vormt. De kamer is al goed, zelfs nadat Geertje een lamp van de tafel kopt, maar het plaatje buiten de kamer maakt wat San Agustin tot een echte topper maakt: een waarlijk enorm zwembad loopt langs de gehele breedte van het hotel en het grote restaurant voelt chic en modern. Achter dat zwembad is al het strand en de horizon die door de zee gevormd wordt, wordt alleen door een prachtig geelbruin eiland verstoord dat ons al een klein voorproefje geeft op wat ons morgen te wachten staat. Het is dus niet voor niets dat we ervoor kiezen om bij ons hotel te eten terwijl de zon ondergaat in de Grote Oceaan die voor ons ligt, terwijl we ons te goed doen aan heerlijke Pisco Sour van het huis. Ik wil nog even aan de blog zitten, maar met die twee dames die tetteren als paradijsvogels in het paringsseizoen, blijkt dat een onbegonnen taak, dus ga ik nog maar even apart zitten. Geen ramp, want het is heerlijk hier. Als we ergens deze reis een waar vakantiegevoel hebben gehad, dan is dat hier wel.
We knallen er een ontbijtje in en niet veel later staan we in het kleine centrumpje van Paracas waar een vrolijke Martin (die aan één stuk door gekscherend MAMA! blijft schreeuwen tegen Anita, gevolgd door een schaterlach) ons de sleutels van onze scooters overhandigt. Inderdaad ja, scooters! Als we één ding gemist hebben ten opzichte van onze reis door Azië, dan is het wel om met een scootertje op eigen houtje rond te rijden! In Zuid-Amerika is de huur nou eenmaal vaak wat hoger dan een paar euro per dag, maar we besluiten om in Peru toch nog wat vaker een scootertje te huren, ook al is het wat meer aan de prijs. Het is simpelweg te leuk om het niet te doen.
Wel mogen we alleen maar door Paracas en door het nabijgelegen Reserva Nacional de Paracas crossen en mensen, wat een fantastisch, weergaloos, buitenaards mooi natuurgebied is dat Reservaatje! We zijn nu in de Sechura-woestijn. Inderdaad, die begon al in Lima. De grootste van Peru, is wat ze zeggen. Dat Reserva Nacional de Paracas is dus een gedeelte van die woestijn en ligt op een schiereiland nabij Paracas. Als we entree betalen en aan ons eerste stuk beginnen, wordt al meteen duidelijk dat vandaag een speciale wordt. De natuur in dit park is zoals geen enkele plek die we ooit gezien hebben! Een uitgestrekte woestenij aan dorre zandvlaktes in prachtige gele, rode en bruinen tinten strekt zich voor ons uit. In de verte doemen enorme bruine bergen op. Het landschap is weids, uitgestrekt en buitenaards. Serieus: als ze ons hadden verteld dat die scooter ons naar Mars zou teleporteren, dan hadden we het ook geloofd. Opdat vandaag nog lang mag duren.
Even een feitje tussendoor: het is hier heet. Echt teringheet. Ik denk dat je hier op het asfalt nog wel een eitje kunt bakken als je je best doet. Maar het is geen woestijn omdat het hier zo heet is, maar omdat het hier zo droog is. Een woestijn is namelijk altijd droog, niet altijd heet. Sterker nog: er zijn nog twee woestijnen groter dan de Sahara. De grootste woestijn van de wereld is Antarctica en ik hoef je niet te vertellen dat je daar niet in je zwembroekje hoeft rond te lopen. En nog sterker dan sterker nog: de op één na grootste woestijn is de Arctische woestijn die grotendeels op de zee van de Noordpool ligt. Een woestijn hoeft dus zelfs niet eens op het land te zijn! En toch denken we bij woestijnen vooral aan hete plekken. Vanaf nu niet meer doen dus! Woestijnen zijn kurkdroge plekken!
Bij een gebrek aan geschiedenislessen, doen we het deze blog dus maar met aardrijkskundelessen, maar ik denk dat je toch wel meer benieuwd bent naar alles wat dit fenomenale park te bieden heeft dan naar de definitie van een woestijn. We beginnen klein, want de eerste stop is de minste van de hele rit van vandaag: Yacimiento Fósil. Hoewel de omgeving natuurlijk enorm mooi is, is dit plekje een tegenvaller. Twee rijen met stenen vormen een ovaalvormig pad van een metertje of 80. Dat lopen we, maar de belofte dat we hier fossielen van een soort van zeeslakken – de grond onder ons was in vervlogen tijden de bodem van een zee - kunnen vinden, komt niet uit. Eigenlijk is hier praktisch niks, dus vereeuwigt Anita onze namen maar in het zand naast het pad, net zoals tientallen voorgangers dat ook hebben gedaan.
De volgende stop is een stuk mooier. Via kleine heuvels in vreemde blauwgrijze kleuren komen we bij een strand. Playa Yumaque is een wit strand. Mooi contrast met de oranje-bruine aarde van het National Park. Zwemmen doen we hier niet, want net als de hele westkust van Zuid-Amerika, is ook hier de zee ruig. Te ruig om te zwemmen. Maar zeker niet te ruig voor een paar prachtige kiekjes en het zoeken van mooie stenen. Anita vindt er eentje. Die paste perfect op haar hoofd, vond ik.
Dan rijden we weer terug, want bij de ingang staat de 56-jarige Kato op ons te wachten. In het Peruaanse gaat Kato blijkbaar door als mannennaam en ik prijs mezelf gelukkig dat mijn ouders hier geen nameninspiratie hebben opgedaan. Maar goed, zo belangrijk is die naam natuurlijk niet, want het is een stuk belangrijk waar Kato ons mee naartoe gaat brengen. Naar Playa Supay, want we gaan vandaag weer voor een once-in-a-lifetime momentje. Kato rijdt voorop, wij volgen. Anita weet de gasknop goed te vinden en jaagt met zo'n 60-70 kilometer per uur over het zand. Tot jolijt van Kato: Anita is vanaf nu Madre Loca.
PARAGLIDEN! We staan halverwege een kneitersteile zandduin die de scheiding tussen land en zee vormt, als Geertje als eerste (eigenlijk zou ik als eerste gaan, om angsthazen Geertje en Anita gerust te stellen, maar we moeten op volgorde van gewicht) het Paraglide-kostuum aantrekt. In een lijst met onhandige pakken, komt de Paraglide-drollenvanger toch wel bovenaan te staan. Het lijkt een beetje alsof je een vol gepoepte luier op kniehoogte draagt en met je meesleurt. Het lastige is dat je om op te stijgen, je dus met die drollenvanger tegen een zandheuvel met een helling van meer dan 45 graden op moet rennen, terwijl je volle luier ervoor zorgt dat je benen in een hurkhouding staan alsof je staand aan het bevallen bent. Allemaal terwijl je ook nog vastzit aan Kato die als een Spaanse stier in een arena aan je zit te trekken terwijl die z’n parachute onder controle probeert te krijgen. Het zal je dus niet verbazen dat we alle drie in een poging om de lucht in te gaan, minimaal één keer (of ja, ik dus twee keer) vol op ons gezicht gaan! Iets waar we Anita tot op de dag van vandaag nog vanuit Nederland om horen schaterlachen.
Gelukkig vliegen we na een paar valpartijen en een flinke schaafwond voor Geertje na mum van tijd allemaal een keer hoog in de lucht. Wat is dit ongekend geweldig! Hoog in de lucht zien we hoe het zand overgaat in de zee en hoe de oranjebruine kliffen een onophoudelijke strijd voeren met de wilde, lompe, beresterke golven. Het decor is immens en om dit van boven mee te mogen maken, is uniek en ongekend. Met zijn dertig jaar aan paraglide-ervaring gooit Kato er nog een paar acrobatische capriolen doorheen die niet voor de zwakke magen zijn. Anita vliegt bijna over de kop, ik scheer centimeters langs de kliffen en Geertje zwiert als een op hol geslagen schommelschip over de zandduinen heen. En dat allemaal met een van de meest buitenaards mooie decors op de achtergrond die je je maar kunt voorstellen. On-ver-ge-te-lijk!
Met een bizarre ervaring rijker tuffen we door naar het uitzichtpunt La Catedral. We staan op een hoge klif (naar de mensen die hier stonden konden we net tijdens het paragliden nog zwaaien) en onder ons is de rotsformatie La Catedral zichtbaar. Ik weet dat deze hoek van de wereld zo christelijk als de paus is, maar om nou ieder natuurverschijnsel naar iets of iemand binnen het geloof te vernoemen, is nou ook weer ietwat overdreven, want om in deze rotsformatie een kathedraal te zien, is wel heel erg veel fantasie nodig. Dat neemt niet weg dat de rotsformatie wel mooi en machtig is.
Het mooiste uitzichtpunt volgt even verderop bij Mirador Istmo. Geertje mag ook een keer op de scooter en gelukkig gaat dat hier een stuk beter dan met die quad in San Gil. Dronie is ook al een paar keer naar buiten geweest en hier ook, maar de wind begint gedurende de dag steeds sterker te worden en hier bij Istmo, gooit Dronie zelf de handdoek in de wind en naait er tussenuit, terwijl Geertjes moederinstinct in werking gezet wordt en ze gillend achter Dronie aanrent en hem redt voordat-ie de gehele woestijn door zou vliegen. Of ja, dat is Geertjes ietwat overdreven beleving van Dronies moeite met de wind. Geen mooie hoogteshots meer voor vandaag, maar gewoon weer de camera en de telefoon. Gelukkig vallen de droneregels in Reserva Nacional de Paracas toch wel onder het niveautje Kim Jong-Un in Noord-Korea, dus nu weten we in ieder geval wel zeker dat we geen regels overtreden. En zonder drone genieten van dit fantastische, buitenaardse uitzicht, is ook absoluut geen straf.
De middag is al dikwijls aangebroken en onze magen beginnen ook steeds meer om wat voedingsstoffen te smeken. Lagunitas de las Algas blijkt de perfecte plek. Ook de enige plek in het hele natuurreservaat waar restaurants staan (een stuk of vier op een rij), dus veel andere opties hebben we niet, maar gelukkig is de enige optie die we hebben een heel erg goede. Alle drie eten we typisch Peruaans: ik krijg een chicharron van gefrituurde kip in ají amarillo voorgeschoteld en Geertje en Anita gaan voor een causa. Of het lekker is? Nou, je weet intussen wel hoe wij over de Peruaanse keuken denken, toch?
Bij Lagunitas de las Algas is het een waar genot. We tikken een unit van een trigo (al dat bier gaat hier per 620 milliliter) weg, terwijl de baai achter ons uitpuilt van vissersboten in alle kleuren van de regenboog. Een vogeltje vergezelt ons op de balustrade en in het water is een zeeleeuw een stel watervogels te slim af in een strijd om een vis. Het is een idyllisch plekje.
Om ons geweldige scooterdagje af te sluiten, vinken we nog twee strandjes af. Inmiddels weet je het waarschijnlijk wel, maar als ik water zie, dan moet ik erin. Die hele westkust van Zuid-Amerika bestaat uit ruige kusten met lompe golven en flinke stromingen en dit natuurreservaatje doet vrolijk met die trend mee. Bij Playa la Mina mag er wel gezwommen worden! Stroming schijnt er minder te zijn, dus daar moeten we heen. Dat de stroming minder is, klopt, maar da’s nog steeds heel relatief, want die stromingen onder het oppervlak trekken me nog een paar keer mee. Geertje en Anita houden het dus maar lekker bij pootjebaden.
Het laatste strand is Playa Roja. Je basale Spaans zal je vast wel kunnen helpen met de simpele vertaling naar Rood strand. En dat is wat Playa Roja precies is: een zand met bruinrood zand. Bijzonder.
En dat was het dan! Wat een ongelofelijke dag hebben we in dit fantastisch mooie park gehad, maar veilig en wel thuis zijn we nog lange niet! Op die open vlaktes zoals je die hier hebt, kun je je wel voorstellen dat er stevige winden zijn. Op de verbindingsweg tussen Paracas en het natuurreservaat is geen boom of heuvel te vinden die die wind een beetje tegenhoudt en als we met 90 kilometer per uur langs een vrachtwagen op jagen, zorgt de daaropvolgende windstoot ervoor dat Anita’s helm pardoes van d’r dakpan af vliegt! Geertje ziet het en roept mij om om te keren, ik maak rechtsomkeert om die helm te pakken, maar het kwaad is al geschied: Anita is helemaal van d’r stuk gebracht.
Als we wegrijden slipt ze zonder dat we het doorhebben met haar achterband richting Argentinië en ziet ze ons niet meer op de weg. Ik zie na een stukje tuffen dus ook geen schoonmoeders meer in m’n spiegels, dus besluit ik met Geertje bij de afslag Paracas even te wachten. En jawel hoor: een halve minuut later komt daar Anita aan gebanjerd, gebarsten helm fier balancerend op haar kruin. Ik claxoneer, zwaai naar Anita, ze kijkt naar mij, ik kom in de illusie terecht dat we oogcontact maken en… ze rijdt door! Met een rotvaart van heb ik jou daar schiet ze Paracas voorbij en rijdt ze ons voorbij alsof we er niet staan, want onmiddellijk zetten we de achtervolging in, maar seconden later is er al geen spoor meer voor onze metgezel te bekennen! MADRE LOCA! Ze is de snelweg opgeknald, richting Pisco (waar we volgens de ondertekening van het contract vanochtend niet mochten komen met de scooter) en het duurt werkelijk minuten voor we Anita te pakken krijgen met de appjes en belletjes van Geertje, voordat Anita eindelijk doorhad dat ze niet meer op het goede spoor zat. Het is me in elk geval wel duidelijk waar Geertjes navigatieskills vandaan komen.
Bijgekomen van alle ophef, gieten we er in ons prachtige hotel onder het genot van een boek, een laptop en een duik in het zwembad maar even een trigo of twee in. Dat doet een mens altijd goed, natuurlijk. Anita deelt nog even een smeerpartij uit aan de pooltafel aan mijn wederhelft, alvorens we de benenwagen naar het knusse, kleine centrum van Paracas nemen. Voor een bijzondere maaltijd wel te verstaan, maar dat wisten we van tevoren nog niet.
We stappen binnen bij Waiki Pizza Bar, een hip, donkerbruin, houten restaurant – waar ook tafels zijn waar mensen liggend kunnen eten (zal wel goed voor de stoelgang zijn) – waar we twee burgers en een pizza bestellen. Een bestelling meer doorsnee dan deze, krijg je toch niet? Dat klopt inderdaad, ware het niet dat de burgers van alpacavlees gemaakt zijn. Alpacavlees! Die kunnen we ook weer van het lijstje vinken. Wanneer we alle drie een paar happen alpaca door de slokdarm geperst hebben, is ons oordeel unaniem: alpacavlees? We weten het niet! Is het lekker? Geen idee. Is het niet lekker? Ook geen idee. Het is een vreemde smaak waarvan we alle drie simpelweg niet kunnen bepalen of we het lekker vinden of niet. Binnenkort nog maar een keer proberen dus. We gaan in elk geval in rap tempo door de verschillende elementen van de Peruaanse keuken heen. Nu binnenkort nog even een cavia villen, en de to-dolist is aan vernieuwing toe.
We hebben gescooterd over het land van Reserva Nacional de Paracas. We hebben kort langs haar immense gouden kliffen gevlogen middels het paragliden van Kato. Dan moeten we nog de zee op. Dat is dus wat we gaan doen op de ochtend voordat we doorreizen: een boottochtje langs de beroemde Islas Ballestas nabij de kust van Paracas om wilde dieren te spotten. Ter land, ter zee en in de lucht!
Of toch niet. We krijgen namelijk om 7.30 ’s ochtends te horen dat de zee vandaag te lomp doet, dus we moeten ons schikken naar het alternatief wat ze de White Islands noemen. Kan er niks over vinden op internet, dus ik denk dat het gewoon een subgroepje is van die Islas Ballestas, dus het zal wel. Zodra we de bevestiging krijgen dat we dezelfde dieren gaan spotten als bij de eigenlijke tour, klinkt er iets bekends vanachter ons in de deuropening: ‘daar zijn ze weer!’ Edwin en Eva van de Lima Bites Tour! Die dekselse Zeeuwen komen weer bij ons binnen gelopen en net als twee dagen geleden, vormen we met z’n vijven een groepje. Wat een toeval.
Serieus toevallig, want als we ons een weg banen door Paracas naar de pier, zien we hoe druk het is en hoeveel mensen er wel niet naar die eilanden willen. Paracas lijkt het Scheveningen van Peru te zijn en het blik Peruanen dat hier opengetrokken is doet vermoeden alsof je in het hoogseizoen een bootje in Giethoorn probeert te scoren. Wat een mensenmassa! Dat stukje hoogseizoen klopt overigens wel. Pasen komt eraan dit weekend en voor Latino’s staat Pasen wel een paar treden hoger in de rangorde dan bij ons in Nederland. De week voorafgaand aan Pascua noemen ze Semana Santa. De Heilige Week. Vanaf donderdag (vandaag) krijgt heel Peru vrij en – we waren al gewaarschuwd – trekt iedereen eropuit om in volle glorie toerist in eigen land uit te hangen. De boottrip naar de eilanden vormt daarop absoluut geen uitzondering. Het is hier een chaos van jewelste.
Als ware het een openluchtfabriek varen we met een aantal volgeladen boten de zee op richting de White Islands. Kijk, massatoerisme is absoluut niet ons ding, maar tijdens Semana Santa hoort dit er nou eenmaal bij en je kunt Pasen natuurlijk ook niet in één keer skippen. Je moet er toch maar doorheen als je in deze hoek van de wereld bent. Dat er massaal voor deze boottrip gekozen wordt, is overigens niet zo gek: het is een te gekke tour.
Eerst stoppen we bij een heel bijzonder menselijk bouwwerk: El Candelabro. Tegen een steile zandduin aan de kust is een werkelijk waar enorme muurtekening van een kandelaar getekend in het zand. Misschien heb je ooit van de Nazca-lijnen gehoord? Candelabro is ook zo’n tekening, alleen de Nazca’s hebben deze dan weer niet gemaakt. Oké, als je niet van de Nazca-lijnen gehoord hebt: een paar uur ten zuiden van Paracas ligt de stad Nazca, waar de pre-Columbiaanse Nazca-beschaving onverklaarbare, enorme tekeningen (geogliefen) in het zand hebben getekend. Omdat het in de Sechura woestijn echt maar zelden regent en het er nabij Nazca niet waait, hebben al die tekeningen de test des tijds doorstaan en zijn al die Nazca-lijnen na bijna zo'n tweeduizend jaar nog steeds super goed zichtbaar. Echt bizar: stel je maar eens voor dat je je naam in een zandbak tekent en dat die naam daar over tweeduizend jaar nog steeds staat.
Waarom die tekeningen gemaakt werden, is nog altijd onduidelijk. En beter gezegd: hoe ze gemaakt werden, is ook onduidelijk. Zoals ik al zei, zijn deze geogliefen meer dan 1000, misschien wel 2000, jaar oud. Maar hoe kunnen die mensen in godsnaam in die tijd zo’n rechte lijnen, symmetrische figuren en perfecte cirkels en rondingen maken, zonder dat je vanaf het land kunt zien wat je überhaupt aan het doen bent? Candelabro bijvoorbeeld: 180 meter hoog en 70 tot 80 meter breed. Maar je kunt 'm alleen vanaf zee zien, niet als je er naast staat, dus om die lijnen zo perfect te maken, lijkt me een onmogelijke opdracht. Ongekend! Dan meer even het internet induiken en een snelle Google-zoekopdracht gaf me al het antwoord: de hoe? is een vraag waar wetenschappers vandaag de dag ook nog altijd hun hoofden over breken. Fascinerend.
Candelabro is overigens het enige geoglief dat bewaard is gebleven in Paracas, omdat hier de wind wel een flink stokje steekt voor het behouden van de tekeningen. Alleen Candelabro is er nog, omdat die op de helling van een duin getekend is die altijd beschut is tegen de wind, omdat de wind hier altijd van dezelfde kant komt. Héél indrukwekkend. We hebben gekozen om Nazca over te slaan, omdat je een vliegtuigje in moet om die tekeningen te zien (is duur) en omdat we ook al Cadelabro zouden gaan zien hier in Paracas. Bovendien is verre geschiedenis niet Geertjes favoriete onderdeel van de reis. Maar nu ik die Candelabro hier zo zie, begin ik toch een beetje te dagdromen over een stop in Nazca.
Dan varen we door naar de White Islands (oftewel, de B-merk Islas Ballestas), waar de eigenlijke tour écht om draait. Waarom? Wildlife, wildlife en nog eens wildlife! En we worden niet teleurgesteld, want het aanbod dieren is overweldigend! De ene na de andere pelikaan (units van vogels, eerlijk) springen van de rotsige kliffen af om door de lucht te zwieren, een eenzame zeeleeuw ligt op een rots aan zijn zomerkleurtje te werken, een paar Humboldt-Pinguïns staan dom voor zich uit te kijken, diverse krabben trippelen over de rotswanden en de hoeveelheid zeevogels is onnavolgbaar. Van gekkigheid weet je gewoon niet waar je moet kijken, want de dieren zitten overal!
Op de terugweg is de koek nog niet op: we varen langs een boei die onder de plaatselijke zeeleeuwenbevolking een populaire zonnebank blijkt: vijf stuks in allemaal verschillende kleuren liggen op en over elkaar te chillen. En wat komen we dichtbij! Geertje heeft al fantasieën over een nieuw huisdier en de boot is compleet stil geworden en hoewel we het natuurlijk niet doen, zouden we die beesten bijna over hun neus kunnen aaien. Wauw!
En weer aan land is het tijd om door te reizen. We zeggen gedag tegen de Zeeuwen, Anita en Geertje struinen nog wat door het centrum van Paracas dat door Semana Santa bommetje vol geraakt is, Anita shopt nog souveniertjes en we kopen met z'n drieën een armbandje. We drinken nog een biertje op het terras, waar de pelikanen ook allesbehalve schuw zijn. Als ik Facebook nog zou gebruiken en in een onzekere puberteitsfase had gezeten, dan zou ik het volgende plaatsen: Paracas 2026, wat was je mooi!
Reactie plaatsen
Reacties