Huanchaco - Zelfs prachtige nesten hebben lelijke eendjes

Gepubliceerd op 10 maart 2026 om 07:00

De weg lijkt op een voetbalveld na een degradatiekraker op een natte novembermiddag. Langs de straten van de weg is het alsof al het afval van Peru de bermen van Huanchaco als vergaderlocatie heeft gekozen. Hier is een pad langs de kust ingestort, daar is weer een oud, stoffig, aftands terras waar niemand zit. Bij het uitdelen van de schoonheidsprijs, eindigt het rustige Huanchaco aan de noordelijke kust van Peru toch wel op een van de laatste plaatsen. Toch zijn we best tevreden met Huanchaco als allereerste bestemming van Peru, het derde deel van onze reis. Maar wat gaan we in zo’n stoffig, godvergeten dorpje als Huanchaco dan eigenlijk doen? Wat heeft deze plek in godsnaam te bieden?

Een cliffhangertje voor straks. Eerst even onze reis. We landen tegen het vallen van de avond in de Peruviaanse hoofdstad Lima. Het is volgens mij voor het eerst dat we tijdens een vlucht niet naast elkaar zitten. Gelukkig is de vlucht van Bogotá naar Lima maar iets minder dan drie uur, maar Geertje is zo van de leg dat ze haar trui in het vliegtuig vergeet. Niks aan te doen. Na de landing hebben we nog een paar uur te besteden op het vliegveld en met een paar heerlijke koude biertjes en de Formule 1 voor Geertje is die tijd wel te vullen. We blijven op het vliegveld, omdat we meteen verder reizen en niet in Lima blijven: een paar uur later zitten we al in de nachtbus richting Trujillo, een kuststad 563 kilometer ten noorden van Peru. Aan die nachtbussen in Peru kunnen we wel wennen. De stoelen zijn ruim en royaal en omdat we in een hoek van 160 graden kunnen liggen, is de nachtrust een keer of tien beter dan we verwacht hadden.

Peru is weer zo’n ontiegelijk groot land. Net als Colombia eigenlijk. Huanchaco, dat heel dichtbij Trujillo ligt, is een oord dat wat minder door toeristen wordt bezocht en eigenlijk geldt dat voor het gehele noorden. Wanneer mensen naar Peru gaan, gaan ze vooral naar het zuiden. Daar liggen immers de meeste hoogtepunten. Meestal is dat voor ons een trigger om naar die minder toeristische oorden te gaan, maar we hebben ervoor gekozen om ook naar het zuiden te gaan, maar om toch een klein beetje Noord-Peru mee te pakken, maken we een lusje via Huanchaco en Huaraz, om vervolgens weer terug te keren in Lima, vanwaar we het magistrale zuiden gaan verkennen. Waarom niet dat minder toeristische noorden? Nou, sowieso valt het op dat het in Zuid-Amerika op veel plekken veel rustiger is qua toerisme dan elders in de wereld. Even voor je beeld: Peru is 2,5 keer zo groot als Thailand, maar Thailand ontvangt wel 12 keer (!) zo veel toeristen als Peru! Bij Panama en Colombia kun je vergelijkbare berekeningen erop loslaten, dus we hebben al gemerkt dat het in deze hoek del mundo veel en veel makkelijker is om die authenticiteit op te zoeken. Daarnaast hebben we noord en zuid een beetje vergeleken en eerlijk is eerlijk: het zuiden spreekt ons op basis van foto’s en verhalen nog veel meer aan dan het noorden. Ik hoop dat wij en jullie ook gaan zien of dat geschetste beeld een beetje klopt.

Om 7 uur in de ochtend wekken de remmen van de bus ons en staan we in Trujillo waar we een taxi naar kustplaatsje Huanchaco nemen. En zoals je weet: de eerste indruk laat te wensen over. We rijden vlak langs de kust maar de zee wordt door de muur aan afval volledig aan ons zicht onttrokken. Het is hier kurkdroog (evenals Tatacoa geen woestijn, maar een droog bos), het stof waait door de lucht en het afvalt op de wegen is zanderig. En Huanchaco is inderdaad net zo: slecht bijgehouden, aftands, veel dingen zijn kapot en afval is er in overvloed. Bovendien hebben we na twee nachten ontdekt dat de lokale kakkerlakkenpopulatie ook floreert in Huanchaco. Dat roept nogmaals de vraag: wat gaan we hier in vredesnaam uitvreten?

Hou ‘m nog even vast. Daar komen we wel, want eerst staat er een rustdag op het programma. Doordat we de meerdaagse tour in Los Llanos hebben gedaan, hebben we twee weken bomvol gepland. We lopen intussen zeven afleveringen Lubach en de eerste twee Wie is de Mol? achter, dus dat geeft wel weer aan hoe druk de planning de afgelopen weken was. In tegenstelling tot de uiterlijke verzorging van Huanchaco, is ons guesthouse wél heel prettig. En de kerstdecoratie is nog niet afgebroken. Geertje weer blij, dus. Zwembadje kan weer worden afgevinkt en de ruime kamer met aparte keuken is een kamer die tweeënhalf keer duurder is dan de kamer waarvoor we betaald hebben, maar het is rustig, dus we krijgen ‘m cadeau. Lekker. En bovendien lukt het vandaag alvast om in ieder geval Wie is de Mol? volledig bij te kijken.

Chan Chan

Even wat context

Verder dan een paar wandelingetjes langs de kade van het treurige Huanchaco waren we nog niet gekomen op dag één en na een prima nachtrust staat dus de grote klapper van de regio op het programma: de ruïnes van Chan Chan, een eeuwenoude Chimú-stad die trots lid is van de werelderfgoedlijst van UNESCO.

Als je aan Peruviaanse ruïnes denkt, dan denk je al gauw aan de Inca’s. Ik bedoel, dat mystieke Incavolk staat bijna synoniem met de Peruviaanse pre-Columbiaanse geschiedenis, maar dat is eigenlijk volledig onterecht. De Inca’s waren namelijk rond het jaar 1200 nog maar een klein bergvolkje in Cuzco en pas in 1438 begon de gewelddadige Inca-expansie over het huidige Peru. Het was in 1532 dat die hegemonie met de komst van onze zuidelijke vrienden in de vorm van de Spanjaarden, alweer ophield. Die Inca’s hebben dus nog geen 100 jaar met de scepter gezwaaid in deze regio! Dat is niet lang. Of ja, ik weet niet of ik dat gezegd zou hebben wanneer Geert Wilders 100 jaar aan de knoppen zou hebben gedraaid.

Voordat die Inca’s als een olifant door een porseleinen kast gingen springen, waren het de Chimú die een behoorlijke vinger in de Peruviaanse pap hadden. Vanaf het jaar 900 ongeveer zelfs. Veel meer invloed gehad dan die dekselse Inca’s die er dus wel met de naamsbekendheidsprijs vandoor zijn gegaan. De hoofdstad? Chan Chan, tussen Huanchaco en Trujillo in. Een grotendeels lemen stad met adobe moddersteen en heel erg bijzonder om te mogen zien.

Museo de sitio CHan Chan

We nemen ’s ochtends op tijd de bus en via een stoffige, bonkige, treurige weg, staan we bij de ingang van het Museo de Sitio Chan Chan. Jawel, met Geertje deze keer. Ik heb d’r mee weten te sleuren in een museum, maar wel met de belofte dat we daarna oude ruïnes kunnen bekijken. In het museum leren we van alles over de tijd van de Chimú en hun connectie met de zee. De regio rond Chan Chan is kurkdroog wat landbouw tot een uitdaging maakt, waardoor het leven in de zee (de viswateren rondom Peru zijn immens goed: vandaag de dag is Peru de nummer vier op de wereldranglijst van vislanden) heilig verklaard werd. Alles wat die lui aten, kwam immers uit de zee. Ook leren we over de verovering van de Inca’s halverwege de vijftiende eeuw en de plunderingen en het moorden van de Spaanse kolonisten. Bepaald geen lieverdjes, die Spanjaarden, want ze hebben in Chan Chan een stuk muur gesloopt en een weg erdoorheen gebouwd, puur en alleen om gejat goud weg te kunnen kruien. Kolonisatie, hiephoi.

Huaca Toledo

Buiten zien we Huaca Toledo. Toledo is een Spaans woord, Huaca is Quetchua. Niet dat rugzakmerk van de Decathlon (ja, eigenlijk ook wel want Decathlons huismerknaam is hierop gebasseerd), maar de grootste inheemse taal van Peru. Huaca betekent piramide. En zo is Huaca Toledo ook wel het beste te omschrijven: een piramide. Eentje waar de Chimú rituelen en feesten vierden, zo laten we ons wijsmaken. Mooie plek om het te doen hoor, want die combinatie van leem en moddersteen zorgt wel voor een fabelachtige, mystieke uitstraling.

Nik an-paleis

De hoofdattractie van Chan Chan is het Nik An-Paleis, maar voor we daar komen maken we nog een mooie wandeling om de Huaca Toledo heen en langs de oude stadsmuur van Chan Chan op. Volgens de bordjes leeft hier ook de mokergiftige koraalslang, die het kleurenpalet van de Duitse vlag heeft gekozen voor z'n huid, maar hoe graag we die ook willen zien: spotten doen we ‘m niet.

Dan het Nik An-Paleis, het paleis van de Chimú keizer. Die keizers werden behoorlijk opgewonden van zichzelf, te oordelen aan de talloze pleinen die ze ter ere van rituelen en bovenal van zichzelf hebben laten bouwen en het is prachtig om te zien hoeveel er nog van dat oude paleis (met grote dank aan archeologen) intact is gehouden, zeker omdat het materiaal eigenlijk gewoon gedroogde modder is. Behoorlijk kwetsbaar dus. We struinen wat door de gangen, over de pleinen en door de velden en klimmen nog een observatietoren op. Ik kijk m’n ogen uit en kan hier nog wel de hele middag rondhangen. Voor Geertje begint de koek op te raken (het is immers toch een openluchtmuseum), dus we besluiten ervandoor te gaan. Geen ramp: van Chan Chan hebben we alles gezien wat er te zien valt.

Terug in Huanchaco

In de namiddag struinen we nog wat door Huanchaco. Ja, het dorp is zo lelijk als een ezel met de waterpokken, maar toch is het niet zo erg om hier te wandelen. Het leeft best wel in het dorp. Er staat een marktje, mensen verkopen eten op straat, er wordt volop gesurft (Huanchaco is een populaire surfplek, daar heb je misschien al wat foto's over gezien, maar daarover volgt later nog meer) en de sfeer is ondanks het uiterlijk van Quasimodo eigenlijk best wel chill, relaxt en gemoedelijk.

Bovendien is het in die eerste dagen in een nieuw land weer heerlijk om te ontdekken wat een land nou uniek maakt. Wat maakt Peru dan weer anders dan Colombia? Nou, om te beginnen zijn de Peruvianen wat rustiger, zo lijkt het. Als ik in Colombia een simpele ja/nee-vraag stel, dan is het antwoord vaak een spraakwaterval en een Peruviaan antwoord korter. En duidelijker, trouwens, want het Peruviaans-Spaans is nu al veel beter te verstaan. Wat nog meer? Flesjes frisdrank worden hier steevast per 600 milliliter verkocht, pizza’s in de vorm van ijshoorntjes (!) behoren hier standaard tot het streetfoodaanbod (die moeten we nog gaan proeven), bier gaat liever per halve liter over de toonbank en de tieten van de paspoppen zijn met drie cupmaten gekrompen. Alhoewel dat laatste veel meer over Colombia dan over Peru zegt.

Onder het genot van twee ijskoude speciaalbiertjes (de trend sinds Zipaquirá zet zich voort) bekijken we de zonsondergang. Een gek contrast: hoe lelijk dit dorp is, zo magistraal daalt de zon in de verte de zee in. We hebben geluk: de hele dag is het ietwat bewolkt, maar tegen het vallen van de avond breekt het wolkendek opeens open en verschijnt daar een beeldschone oranje gloed aan de horizon, terwijl de surfers de golven van het laatste daglicht nog proberen mee te pakken. Volgens de legende van de Chimú, die de zon dagelijks in de zee zagen dalen in vervlogen tijden, was de zee de hemel en nam de zon iedere dag de zielen van de overledenen mee de zee in. Terwijl we elkaar omarmen met een pilsje in onze handen, denken we maar even aan onze opaatjes en omaatjes en degenen die recent helaas ook overleden zijn. Laten we maar denken dat de zon vanavond hun zielen ook meeneemt naar de hemel.

Op onze laatste dag hebben we een heel bijzondere activiteit op de planning. Is het je misschien al een beetje opgevallen dat we de locaties die we bezoeken niet zomaar lukraak uit de lucht plukken? Dat we niet zomaar een route volgen? Nee, met iedere locatie die we bezoeken trachten we eigenlijk iets unieks mee te maken. Nou is dat in een continent zo divers en uiteenlopend als Zuid-Amerika niet zo heel moeilijk gebleken, want dat is op heel veel momenten al gelukt. In Huanchaco hebben we natuurlijk de hoofdstad van de Chimú-beschaving bezocht, maar waar Huanchaco nog meer om bekend staat, is om de geboorte van het surfen.

Huanchaco surfdorp

De voorlopers van de Chimú deden dat hier 3000 jaar geleden namelijk al. Ja, nog toen Jezus een zaadcel in een zaadcel in een zaadcel tot de macht tien was, werd er in het gebied dat we vandaag als Trujillo en Huanchaco kennen al gesurft. Dat denken ze namelijk omdat er op 3000 jaar oude vazen al foto’s te zien waren van surfende mannen. Goeie bron, me dunkt. Dat deden ze niet zomaar, nee, dat deden ze op caballitos de totora. Vertaling: rieten paardjes. Jawel, de eerste surfplanken ooit waren van riet en hebben de vorm van clownsschoenen met zo’n flauwe krul aan het uiteinde van de neus. En wat het mooiste is? Vandaag de dag worden die rieten paardjes nog steeds gebruikt in de visserij! Iets met een traditie in stand houden.

De queeste naar de Caballitos de totora

Half zeven staan we al naast ons bed en met de camera klaar om te vuren haasten we ons naar het strand van Huanchaco. We turen en turen over het water, maar de horizon laat nog geen vissers op caballitos zien. Tien minuten later nog steeds niet. Een halfuur later nog steeds niet. Dat we dat halfuur überhaupt nog afwachten is ook eigenlijk een beetje dom, want naast de kant van het water staan de caballitos gewoon met de neus omhoog het ochtendzonnetje welkom te heten terwijl er geen visser in zicht is.

En daar staan we dan om 7 uur ’s ochtends. Nog geen koffietent die z’n deuren geopend heeft en dat hele rieten surfplankenverhaal is ogenschijnlijk met die Chimú in de vijftiende eeuw gestorven. Gewoon een dikke vette hoax! Die foto met die vissers op de caballito's op zee? Google! Kijk, als er iemand ooit in Huanchaco is geweest en die vissers heeft zien surfen: laat ons alsjeblieft NIET meer weten hoe je dat schouwspel kunt gadeslaan, want dat is nu mosterd na de maaltijd. Niet dat we een maaltijd op hebben, want alles is dicht. Op een koffiezaakje met het allersmerigste, allerslapste koffieaftreksel aller tijden, na. Gelukkig was de wc schoon. Oh nee, daar zat een kakkerlak. Ook niet dus.

Het deksel op de neus

Dan besluiten we zelf maar te gaan surfen. Of ja, dat waren we natuurlijk al lang van plan, want de eerste surfers ooit komen hier vandaan en dan kun je het natuurlijk niet maken om zelf niet op zo’n plankie de golven te trotseren. Vol goede moed en met een overdosis aan zelfvertrouwen tikken we zo’n 9-voetse op de kop (die zijn heel groot, goed voor noobs als wij) en benen we ons een weg naar het water. De zee in Huanchaco is ruig. Véél ruiger dan in Playa Venao in Panama en de afgelopen dagen hebben we al eens weifelend de golven bestudeerd, maar we besluiten uiteindelijk dat we gewoon die zee in moeten gaan om die skills van begin januari even onder het stof vandaag te toveren.

En wat ging dat erbarmelijk slecht! Huanchaco zou golven voor alle niveau’s moeten hebben, maar om wat voor reden dan ook zijn we de gehele surfsessie lang als twee videobanden van de Titanic die op repeat staan. De ene naar de ander golf klapt ons weer van onze surfplanken af, waarbij die van Geertje ons meerdere malen probeert te onthoofden. Van de zoutvoorraad die wij vandaag binnen slikken kun je een heel mensenleven van friet voorzien. Hoeveel golven we succesvol pakken? Geertje (natuurtalent) lukt het een paar keer bijna, maar ik kom niet in de buurt. De golven van Huanchaco zijn voor ons nog echt een paar levels te hoog.

De afsluiting

We druipen af naar ons zwembad. Die golven hebben ons even een partij de mantel uitgeveegd… Wonden likken bij het zwembad en dan nog even wat maken van onze laatste dag. Maar dan wordt Geertje door een bij gestoken, rent ze gillend van de pijn rondjes om het zwembad en reageert ze vanaf dat moment als een hypersensitieve dragqueen op alle zoemende geluidjes die binnen een straal van een meter komen. Het gaat wel lekker vandaag. Mijn vlechtlessen gaan gelukkig wel goed.

De definitieve afsluiting van onze tijd in Huanchaco gaat wel lekker. Serieus, deze keer. We eten aan de kade en nemen plaats bij een restaurantje waar het vlees en vis ter plekke op de straat gegrilld wordt. Geertje een heerlijke ossenhaas en ik een Peruviaanse chita, een vis die in de Peruviaanse wateren zwemt en vanochtend nog gevangen is. De entourage met weer die prachtige zonsondergang als decor en de uitstekend Engels sprekende (Peruvianen spreken vaker Engels, blijkt al) grillmeester maken de afsluiting van Huanchaco perfect.

Het was een apart plekje om te beginnen, dat Huanchaco. Op nog geen enkele plek zijn we zo vaak van de figuurlijke regen in de zonneschijn gestapt. Van een stoffig, aftands dorpje, tot de ruïnes van Chan Chan. Van de tegenvaller met de rieten surfplanken, tot de magnifieke zonsondergang. Van ons surfdebacle, tot aan de heerlijke grill aan de kade. ’t Was een dolle achtbaanrit. Maar goed, we zijn voor Huanchaco uit de route gegaan en was het dat nou echt waard? Hmm… nee en ja. Als Peru een prachtig eendennest is, dan is Huanchaco toch wel het lelijke eendje. Maar toch hebben we het ook wel weer leuk gehad en verdienen ook de lelijke eendjes van een nestje wel wat aandacht. Wij hebben Huanchaco, het lelijke eendje van Peru, in ieder geval even in het zonnetje geprobeerd te zetten en of je er zelf nou nog naartoe wilt; dat is aan jou.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.