In een land waar de bussen luxe, klasse en comfort uitstralen, is de bus die ons van Paracas naar Huacachina brengt een flinke fall from grace. Klein, krap, overvol en de reservering van drie stoelen bij elkaar bleek in werkelijkheid nog geen kleine teen in aarde te hebben gehad. Gelukkig blijven we met onze rit naar Huacachina in de Sechura-woestijn en biedt het anderhalf uurtje reizen ons de kortste route die we deze reis hebben afgelegd om op een nieuwe locatie te komen.
Maar de chaos is nog niet compleet: Huacachina (ja, de plaatsnamen met hua's vliegen ons in Peru om de oren) is klein en als we het grote naastgelegen Ica naderen, besluiten we dat het wel moet lukken om alvast een Pisco-tour (we zijn nog altijd in dé Pisco-regio) te boeken om drie uur. Het is op dat moment iets na tweeën. Wat op een relatief veilige gok leek, bleek nog heel spannende beslissing te worden: de enige toegangsweg die naar Huacachina leidt, kent vandaag een drukte alsof je in de spits in Bangladesh rijdt. Een orkest aan claxons wordt door de band aan tourbussen, tuk-tuks en taxi’s ten gehore gebracht en het verkeersinfarct is immens. Bij het uitstappen blijkt cancel culture in Peru ook een ding te zijn, gezien het feit dat drie verschillende Uber chauffeurs ons eerst accepteren, maar vervolgens weigeren. Het dorp ligt gewoon he-le-maal vast. Lang leve Semana Santa, dé vakantieweek van Peruanen!
Aziatische praktijken
Uiteindelijk brengt een tuk-tuk die Geertje aanhoudt ons voor een spotprijsje naar ons hotel. Anita kan haar lol niet op. Omdat ze met de tuk-tuk mag, denken we. Het is ook wel komisch: Anita en ik zitten als kippen in een overvolle schuur met de bagage op de achterbank gepropt en Geertje moet moeite doen om niet intiem met onze chauffeur te worden. Volgens de chauf paste het. 't Is net Azië! Handig is-ie wel, die tuktuk, want die dartelt overal als een behendig muisje tussendoor. We checken in, brengen de spullen naar onze kamer en met de haast nog in onze konten, staan we om drie uur, PRECIES op tijd, klaar. We krijgen een berichtje van de touroperator: hij is wat later wegens de immense drukte op de weg. Godverdegodver.
Pisco-Perikelen
Toch kunnen we niet veel later aan ons Pisco-tourtje beginnen. Waar we bij het boeken nog dachten aan een rustig proeverijtje, blijkt bij thuiskomst later in de avond dat het toch een behoorlijk pittige tour geweest was. Voor de lever, wel te verstaan. Dat de regio Ica in het land bekend staat als de meest losbandige waar het meeste alcohol wordt genuttigd, ondervinden we aan den lijve. Als we één ding geleerd hebben, is het dat je Pisco niet drinkt. Je zuipt het.
Bodega Nietto
We starten onze tour bij Bodega Nietto (mét dubbel-t, die in het Spaans zeldzaam is) waar de informatie en de rondleiding bijzaak is. Kort wordt ons verteld over het proces waarmee Pisco wordt gemaakt. Pisco is een drank die ook op basis van druiven gemaakt wordt, maar waar het verschil ‘m precies in zit, is ons nog niet helemaal duidelijk. Ja, de uiteindelijke smaak is onmiskenbaar anders, maar waar dat in het productieproces plaatsvindt, weten we nog niet zo goed.
Het duurt dan ook niet heel lang voordat we op een stoeltje plaatsnemen en zes shotjes Pisco voorgeschoteld en het lijkt wel een herhaling van de Pisco-proeverij in Lima, alleen dan met een shot extra, tot aan de toosten die we van te voren uitbrengen aan toe: “Arriba, abajo, al centro y adentro!” Huppakee. In rap tempo werken we er zes naar binnen en zonder gekheid: Pisco is best een aanrader: je hebt sterke, pure pisco van 40-42%, je hebt romige, Bayleys-achtige Pisco met kokos- en cacaotinten en de zoete, zachte Italian, die niet uit Italië komt (gewoon uit Peru), maar wel de naam heeft gekregen en overheerlijk is. Of ja, ik zeg wel zes shotjes, maar dit werden er wat meer, want Geertje moest proeven welke ze ook alweer het lekkerst vond. Dat duurde alleen een shotje of vijf. De teller staat na één proeverij dus al op 11. Prima middagbesteding. Met een klein setje romige Pisco’s naar Geertjes keuze voor Anita’s handbagage in de gelederen, rijden we verder. Op naar Bodega nummer 2 dus.
Bodega Tacama
Bodega Tacama is mijn favoriet. Al is het maar om de historische waarde van deze wijngaard. Het informatieve stukje van Tacama is een stuk groter dan hiervoor en we krijgen een rondleiding door de gehele wijngaard (Pisco is immers een druivendrank), zien waar de druiven gestampt worden en leren het verschil tussen Pisco en wijn. Wijn is slechts het fermenteren van druiven, Pisco is het verder distilleren van die gefermenteerde druiven: opwarmen en via een koperen buis de alcohol scheiden en elders opvangen. Het heerlijke resultaat is dus je Piscootje. Tacama is ook nog eens de allereerste wijngaard van heel Zuid-Amerika. Toen de Spanjaarden lekker aan het huishouden waren op het continent, was dit de plek waar de Spanjaarden voor het eerst druiven besloten te groeien. Het prachtige, roze binnenplein is afgezien van een paar restauraties door een grote aardbeving in 2007, nog precies hetzelfde als dat het ooit in vervlogen tijden was. Magisch mooi plekje.
De proeverij die we voorgeschoteld krijgen, is ietwat stijlvoller dan de vorige. We krijgen een neutraliserend watertje erbij en we drinken niet alleen Pisco, maar ook wijnen die ze hier produceren. De Pisco die we krijgen, is weer zo’n stevige van rond de 40-42%. Ik vind ‘m redelijk, maar Anita en Geertje weet hij niet tevreden te stellen. Doorgaans wordt die sterke Pisco ook niet puur gedronken, maar is het je beste vriend als je een mixdrankje wil maken, maar het voordeel dat we ‘m nu puur drinken, is wel dat we een fantastische lifehack leren voor hoe we zo’n losgeslagen bosbrand in de slokdarmen kunnen voorkomen. Als je op een verjaardagsfeestje weer ten prooi valt aan de groepsdruk en op het punt staat een walgelijke Tequila weg te tikken, doe dan het volgende: ruik de drank. Haal diep adem. Gooi ‘m naar binnen. Slik ‘m niet door, maar spoel je mond er een seconde of drie-vier mee. Slik ‘m dan door en blaas meteen hard uit. Dan blijft dat brandende van de alcohol in je mond in plaats van in de rest van je lichaam en da’s fijner. En het gekke: het werkt ook nog!
Bodega Lazo
Ervanuit gaande dat de proeverij erop zit, willen we nog een Pisco op het terras drinken, maar dan wijst de gids me op de vingers: we hebben nóg een proeverij! De 3,5 uur die voor de tour staat, zit er inmiddels al op (maar dat deert ons natuurlijk allerminst). We verlaten de prachtige Bodega Tacama en gaan door naar de laatste: Bodega Lazo. Ik heb het niet gevraagd, maar m’n verwachting is dat deze tent de favoriet van Geertje en Anita is. Ten eerste kennen we dat hele Pisco-proces intussen wel (dit is technisch gezien proeverij nummer vier deze week), dus het is sowieso al handig dat Bodega Lazo wat meer de mentaliteit ‘nie lulle, maar poetse’ hanteert. De enige informatie die we krijgen, is een drie minuten durende self guided wandeling door een oubollige, maar daarom ook heel karakteristieke en charmante, wijnkelder waar eikenhouten vaten liggen opgeslagen, waarna we te midden van een groep Peruanen plaatsnemen bij een proeverij. En deze proeverij is denk ik de reden waarom dit de favoriet van Geertje en Anita is.
In ongeëvenaard tempo krijgen we verschillende shots te verwerken. De vierde van deze proeverij is die knaller van 40%-42%. Dat kleurloze gif, weet je wel, die zomaar een lokale vlekverwijderaar had kunnen zijn. We tikken ‘m weg (de derde zware shot intussen al, nog los van de talloze wijntjes en Pisco’s met een schappelijker percentage die we al de baas gemaakt hebben) en dan krijgt de sommelier het fantastische idee om een of andere gare Peruaanse traditie tentoon te stellen. Hij heeft een jongen en een meisje nodig. En wie vult de jongensrol beter dan een uit de kluiten gewassen gringo van 1.91 meter dan ik? Dat is in ieder geval het oordeel van onze chauffeur (die deze proeverij vrolijk mee zuipt) die mij voor de leeuwen gooit.
Ik ben in een heuse biercantus beland. Maar dan met Pisco. Als enige buitenlandse toeristen in een gezelschap van allemaal Peruanen, ben ik onder de indruk als ik samen met een Peruaans meisje een shotglaasje in ontvangst neem. Nog geen seconde later wordt-ie meteen gevuld met die kleurloze klapper en onder toeziend oog van een dertigtal glimlachende Peruanen en Geertje en Anita, tik ik ‘m naar achter. Dat was de eerste fout. “Todavía no!” zegt de sommelier schaterlachend. Nog niet, betekent dat. Te vroeg gedronken en zonder goedkeuring giet de sommelier m’n shotglas weer vol. De traditie is dat ik er drie moet drinken. ’t Is echt een Piscocantus, want het publiek gaat een lied zingen en wanneer ik “shuba, shuba, shuba" hoor, moet ik samen met de Peruaanse drinken. De Peruanen gaan zingen, Geertje en Anita hebben geen idee wat er gebeurt, en dan: “SHUBA, SHUBA, SHUBA!” Ik drinken. “No, no, no! Tienes que decir salud!” Ik moet eerst ‘proost’ zeggen… Opnieuw! Vijf shotjes van 40% (inclusief die van de vorige twee bodega’s) zitten inmiddels aan m’n maagwanden te knagen. Geertje en Anita schaterlachen intussen. Shuba, shuba, shuba! Shotje zes doe ik eindelijk goed. Shuba, shuba, shuba! Shotje zeven is ook goed. Maar dan… Even kijken of je alles op hebt, besluit de sommelier. En bij zowel de Peruaanse als bij mij, is er een druppeltje blijven liggen op de bodem. “Dan moeten jullie er allebei NOG DRIE!” Als ik een klomp droeg, dan was-ie nu gebroken. De Peruaanse vind het mooi geweest en haar vriendje neemt haar plaats in, maar ik krijg Anita of Geertje niet zo gek om te wisselen, natuurlijk, en shotje acht, negen en tien werk ik vakkundig in recordtempo naar binnen. Ik heb de knollen goed gaar als ik die spitsenroedel overleefd heb en eindelijk weer mag zitten. Van de drie laatste Pisco’s die we nog krijgen, krijg ik niet zo veel meer mee. Bodega Lazo heeft me weten te vellen.
Anita en Geertje hebben de grootste lol met het leedvermaak gehad en tijdens de taxirit weet ik met dichte ogen mezelf te herpakken op de harde technohitjes van onze chauffeur en bij ons prachtige hotel La Estancia zetten we de avond voort met trigo’s en met de fles Pisco Italia die Anita in Lima op de kop had getikt, nadat we typisch Peruaans gegeten hebben. En dat niet alleen: we gaan frikandellen eten!
Culinair genieten
Jawel, Anita heeft voor ons een heel Nederlands pretpakket meegenomen. Stroopwafels, drop, marsjes, Napoleonnetjes en chocoladerepen behoorden allemaal tot de inhoud van Anita’s handbagagekoffer. En wat daar ook in zat, was een doos met vijf frikandellen, waar ik gekscherend in een opwelling twee weken geleden om had gevraagd. Als we ‘m allemaal behoorlijk goed voelen hangen, besluiten we om eens bij ons hotel te vragen of ze die frikandellen kunnen bakken. Ik bedoel, de frituur is een graag geziene gast in de Latijns-Amerikaanse keukens, dus een paar bruine bananen in het vet laten drijven moet ook tot de mogelijkheden behoren. En jawel hoor: na een korte instructie (frikandellen zijn geen hogere wiskunde) staat de kok in een badje van vet in z’n roerbakpan tegen elven in de avond frikandellen te bakken! Ludieker dan dit gaan we het niet meer krijgen en uiteraard besluiten we om de trots van Nederland met iedereen op het terras te delen. En wat denk je? Iedereen is helemaal verzot op deze bruine stukjes hemel! De Peruanen naast ons gaan zelfs brood halen omdat ze – terecht – denken dat het met een broodje ook wel lekker zal smaken en die dekselse kok legt zelfs zonder het te zeggen een frikandel apart voor zichzelf omdat-ie ‘m zo lekker vindt. Nou jongens, frikandellen bakken met Peruanen is niet direct iets wat je op je bucketlist hebt staan, maar je hoeft vanaf nu niet meer te aarzelen om ‘m er wel op te zetten!
Het zandmannetje begint zand in onze ogen te strooien naarmate we dichterbij middernacht komen. Bij Anita en Geertje gaat ’t nog goed, maar ik voel me alsof ik een dag carnaval erop heb zitten. De biertjes, de pisco’s, de wijn en die tien (!) shotjes van 40% hakken erin en een dag later worden de dames goed wakker, maar zuip ik een liter water naar de Filistijnen omdat ik aan kater nummer twee van deze reis moet geloven. Die verrekte Peruanen en hun Pisco.
De ochtend chillen bij het zwembad komt dus als geroepen. Evenals in Paracas, is het heet in Huacachina. Anita kan zo aansluiten bij een kreeftenfamilie en na meer dan drie maanden reizen blijken zelfs Geertje en ik nog niet bestand tegen de zon van de Sechura-Woestijn en verbranden ook wij vrolijk nog een keer. De verkoeling van het zwembad weten we dus vaak genoeg te vinden. Geertje vermaakt zich met een bal in het water en wanneer ze om gezelschap vraagt, hapt Anita toe. Geertje en Anita zijn plotsklaps zonder duidelijke aanleiding allebei opeens weer acht jaar oud en zijn als twee vervelende kleuters het zwembad met een bal onveilig aan het maken en gekke capriolen als omhalen (met de voet, door Anita) met de bal aan het uithalen. Een vreemde gewaarwording, kan ik je vertellen. Maar gezellig is het wel: het is ook de laatste dag met Anita bij ons en dat besef begint door te dringen. Zeker bij zo’n ochtendje chillen. En deze tijd samen moeten we natuurlijk wel met een absolute knaller af gaan sluiten. Dus dat gaan we doen. We stoffen de benenwagen weer af en lopen in twintig minuten naar het hart van het dorpje Huacachina, de plek waar onze stop eigenlijk om draait.
Huacachina
En dan zijn we in Huacachina. En dat Huacachina, dat is een wel heel bijzonder plekje. Er lopen hier drie bereisde mensen naast elkaar (met dezelfde sokken, twinning is winning) van Ica naar Huacachina en dat we allemaal nog nooit op een plek geweest zijn zoals deze, dat zegt wel wat. Ik zei al dat we nog steeds in die Sechura-Woestijn zijn en waar het in Paracas al zanderiger en droog is, is de Sechura-Woestijn rondom Ica en Huacachina er eentje die rechtstreeks uit Aladdin lijkt te komen. Enorme zandduinen van tussen de 100 en 300 meter torenen als gouden wolkenkrabbers boven elkaar uit en vormen een buitenaards landschap. De grootste duinen schijnen zelfs 500 meter hoog te zijn. Het is zo ongelofelijk indrukwekkend dat alles wat je ziet gewoonweg niet echt lijkt te zijn. En waar Ica een gewone stad is als zovele, is Huacachina een pittoresk dorpje, het kleinste waar we deze reis geweest zijn, dat het Aladdin sprookje helemaal afmaakt. Te midden van de gigantische zandduinen van de woestijn liggen twee straten om een natuurlijke oase heen. Midden in een landschap van zandheuvels, doemt daar opeens een ogenschijnlijke luchtspiegeling op in de vorm van een vijver, geflankeerd door twee straatjes en een heleboel groen. Dit soort plekken zie je normaal gesproken alleen als kind op tv.
Huacachina is wel een van de meest bezochte locaties van Peru en zeker tijdens Semana Santa is het daar een geoliede toeristenmachine, maar geef de mensen hier is ongelijk – en wij zijn er immers ook. In Huacachina viert één specifieke combinatieactiviteit hoogtij en dat heeft alles te maken met de zandduinen die zich tot in den eeuwigheid uitstrekken voorbij dit sprookjesachtige dorpje: buggyrijden en sandboarding.
In een groep van 15 jonge, fitte backpackers, blijkt Anita toch wel een beetje de vreemde eend in de bijt. We krijgen het gevoel dat ze zich wellicht een beetje ongemakkelijk voelt, maar wij vinden het eigenlijk alleen maar stoer dat Anita net als wij de sandboardschoenen (lees: de zevenmijlslaarzen van de reus uit Kleinduimpje) over haar voeten trekt om de juiste maat te bemachtigen voor wanneer we streks door de duinen racen.
De zandduinen in
Als we goed en wel in onze reuzenklompen gehesen zijn, lopen we ongemakkelijk met de sandboards tussen arm en middel geklemd richting de rand van Huacachina waar de duinen het groen kussen, waar we entree betalen en even later plaatsnemen in een buggy op een parkeerplaats midden in een dal tussen de zandduinen. Die geoliede toeristenmachine die Huacachina is, zie je hier pas echt goed in werking: overal staan buggy’s, rijden buggy’s van hot naar her en worden mensen in de buggy’s geladen alsof we eierdozen op de lopende band van een fabriek zijn. Semana Santa maakt dat nog duizend keer erger, want 90% zit vol met Pasen-vierende Peruanen. Samen met de boottour in Paracas en het Panama-Kanaal, zijn dit toch wel de drie meest toeristische activiteiten die we tot nu toe gedaan hebben. En twee daarvan komen puur door die Heilige Week.
Maar de tour zelf is er niet minder om. Sterker nog, dat het zo toeristisch is, merken we tien minuten later al lang niet meer. De woestijn is eindeloos en uitgestrekt waardoor we bij vlagen het gevoel hebben dat we alleen rijden. En die buggy’s zelf: het is alsof we in een niet ophoudende achtbaan zitten. Op de steile afdalingen tikken we soms zelfs de 80 kilometer per uur aan. Het zand vliegt ons om de oren (we kregen nog allemaal een woestijnsjaal voor het zand, maar die hielp tevens ook tegen de verse verbrandingen) en waar we ook kijken: er lijkt aan de enorme woestenij van zand geen einde te komen. Alsof we een Dakar-rally in een Star Wars-film aan het opnemen zijn.
En dan stoppen we op de top van één van die talloze zandheuvels. Die zevenmijlslaarzen gaan nu eindelijk van pas komen, want we mogen gaan wintersporten terwijl onze huid weer opnieuw aan het verbranden is. Geen schaduw, geen begroeiing en een onvergefelijke zon die iedere seconde van de dag haar stralen op je armen botviert. Maar die trotseren wij door te gaan snowboarden in de zandduinen. Sandboarding dus. Wij gaan alle drie bij het groepje staan met mensen die geen ervaring hebben. Geertje heeft ooit in een hal op een snowboard gestaan en Anita heeft een blauwe maandag geskied, maar mijn wintersportervaring komt niet verder dan een half seizoen Winter Vol Liefde gekeken te hebben. Op ski’s of een snowboard heb ik nog nooit gestaan.
Mag ik het zeggen? Ik heb al vrij snel het gevoel dat ik hier wel aanleg voor heb en ik denk dat ik het best wel goed kan. Terwijl ik het typ voel ik Geertje alweer met haar ogen rollen, maar dat gaat me er niet van weerhouden om met deze zelfverheerlijking te stoppen, want buiten dat het mij – en ook Geertje – goed afgaat, is het ook nog eens ONWIJS VET om dit te doen! Nogmaals: het begint al bij die onwerkelijke omgeving waar we maar onmogelijk aan gewend raken en om hier dan op zo’n board vanaf te glijden, is fenomenaal en geeft een onbeschrijfelijk gevoel van vrijheid. Anita geeft er na één keer de brui aan omdat het niet goed lukt en ze de wijze beslissing heeft gemaakt om het maar lekker aan de jeugd over te laten. Ze zal ervan balen, maar wij zijn al apetrots dat ze het heeft geprobeerd (en zo slecht vonden wij het niet eens gaan). Gelukkig hebben we nu in ieder geval wel iemand die de rol van fotograaf op zich kan nemen!
De komende twee uur razen we een keer of tien van die duinen af en met iedere keer gaan we sneller, nemen we meer risico en gaan we harder op onze plaat. Maar belangrijker: we hebben werkelijk waar de tijd van ons leven. Aanvankelijk piekert Geertje nog wat over Anita - zal ze het wel leuk vinden nu? - en we proberen samen met de crew Anita nog een keer over te halen, maar zonder succes. Grenzen zijn er immers ook om te respecteren en wetende dat ook Anita aan de zijlijn geniet van de magistrale vergezichten, gaan wij nog een keer of tien als kinderen zo blij van die zandduinen. Over onze eerste wintersportvakantie zijn we in ieder geval al wat serieuzer aan het nadenken!
We sluiten af op de top van een zandberg, ergens diep in de duinen. Huacachina en Ica zijn al uit het zicht verdwenen en het enige wat rest is een kampvuurtje, een betoverende zonsondergang met een zon die achter de gouden duinen wegzakt en een Pisco Sour die we onbeperkt mogen bijvullen (wat je Geertje en Anita geen twee keer hoeft te vertellen). En dan daalt het besef toch in: na een fantastische week met onze (schoon)moeder, staat een nieuw afscheid alweer voor de deur. Het afscheid is namelijk morgen. Des te meer reden om nóg meer samen van de prachtige zonsondergang te genieten.
Eten moeten we ook nog die avond. De drie Pisco Sours die als bronwater zijn weggedronken door de twee dames beginnen hun tol te eisen als we na nog één lompe achtbaanrit in de buggy terug naar Huacachina bij een jongerenhostel aanschuiven om een hapje te eten. Een livebandje speelt muziek die Anita weet te bekoren en als een vrouw die plots veertig jaar jonger is staat ze te zingen en te blèren op de songteksten terwijl haar luchtgitaar overuren draait. Ook díé gekkigheid moeten we gaan missen. Terwijl we nagenieten met een biertje bij het hotel, halen we de herinneringen op aan de prachtige week die we samen hebben beleefd en die we zeker niet zullen vergeten.
En dat afscheid komt er een ochtend later al heel snel van. Om 8.30 wordt er een traantje weggepinkt als we naar de bordeauxrode bus zwaaien die Anita in vierenhalf uur van Ica ergens in Lima afzet. Het afscheid is des te mooier, omdat de herinneringen die we de afgelopen week hebben opgedaan voor eeuwig zijn. Dát is reizen, dát is rijkdom: die herinneringen zijn onbetaalbaar en er is geen geld of iets anders van materiële waarde dat daar ooit tegenop kan.
En vanaf dat moment gaan we weer verder met onze eigen herinneringen maken. ’s Avonds staat een nachtbus naar het onbekende Ayacucho op het programma, maar die vertrekt pas om 10 uur, dus er zijn er nog 13 om te doden. Blijkt niet zo moeilijk te zijn, want we hangen het grootste deel van die 13 uur lekker bij het zwembad en achter het laptopje en de iPad om de blogs bij te werken. Voor Anita kwam, waren we volledig bij, maar ja, dan ben je opeens met z’n drieën, verhoog je het reistempo exponentieel en dan is schrijftijd opeens een schaars goed. Nuttige middag aan het zwembad van La Estancia dus.
Richting het einde van de middag besluiten we ons toch nog maar even naar Huacachina te verplaatsen. Bij de oase zelf zijn we namelijk nog nauwelijks geweest en we hadden gisteren al gezien dat je wat waterfietsen kan huren, dus we hebben een plan. Eenmaal in Huacachina, blijkt de waterrand enorm knus te zijn. En jawel, het is Semana Santa (dat weet je intussen wel), dus het stikt van de Peruaanse toeristen. En zo ook op het water. We halen wat te drinken, gaan bij het water zitten en denken nog even goed na over die waterfiets. Want eigenlijk… eigenlijk levert dat geen fluit op, hé? Ik bedoel, we zien voor ons een prachtige oase die na twee dagen nog steeds de indruk wekt een luchtspiegeling te zijn. Maar het is ook maar een redelijk klein meertje. Wat ga je daar dan doen met zo’n waterfiets? Het is niet dat je een mangrove in kunt of dat er ergens een grot is die je kunt ontdekken. Dan fiets je midden op dat water en dan? Dan wil je alweer terug? Nou, ja, waarschijnlijk wel dus. Dan lijkt relaxen aan de waterkant zonder fysieke inspanning ineens een veel beter plan.
Wat wel een goed idee is, is een duin beklimmen. Die zonsondergang gisteren smaakte naar meer, dus we besluiten om drie biertjes en een fles Pisco Lúcuma voor een paar soles te halen en zelf maar eens een van die units van duinen te beklimmen. Aanvankelijk kregen we al snel spijt van dat idee, want zo’n duin beklimmen is niet zo één-twee-drie gedaan. Ze zijn veel steiler dan je verwacht en al dat losse zand maakt dat je met iedere stap omhoog alweer anderhalve stap lijkt te zakken. En dan heb je die namiddagzon nog die eropuit is om jou het leven zuur te maken tijdens zo’n klim. Het is puffen en hijgen geblazen, maar uiteindelijk zijn we boven. En dan hebben we toch geen spijt meer.
Op meer dan 120 meter kunnen we het pittoreske Huacahina van grens tot grens, van top tot teen zien. Rechts van ons daalt de zon langzaam achter een hogere duin, de pilsjes zijn nog ijskoud en de oase zelf… ja, ik blijf maar sprookjesvergelijkingen zoeken, maar er is gewoon niks dat beter past. Huacachina lijkt als uit een sprookje afkomstig te zijn. Meer dan een uur blijven we er zitten, genietend van de zon, genietend van het inmiddels afgekoelde zand tussen onze tenen, genietend van het dorpje onder ons en genietend van de biertjes en de Pisco Lúcuma. Wat een manier om een dag af te sluiten, om nog een keer dit prachtige plekje in volle glorie te zien, zodat we er vanavond met een goed gevoel afscheid van kunnen nemen door de nachtbus in te stappen.
Reactie plaatsen
Reacties