Ayacucho - De Hoek van de Doden

Gepubliceerd op 5 april 2026 om 06:00

Het is drie uur ’s nachts. Geronk, gebeuk en gebonk klinkt uit de badkamer. Het is bijna alsof er een veldslag vier meter van me vandaan verwijderd is. Althans, dat is m’n oordeel terwijl ik met m’n ogen dicht slaapdronken probeer te bedenken wat er allemaal in de kamer naast me aan het gebeuren is. Het is geen veldslag die op de badkamer plaatsvindt, maar de rollen van twee weken terug zijn omgedraaid. Geertje hangt nu de hele nacht boven de wc in plaats van ik.

Dat wisten we op de dag dat we ’s ochtends vroeg in Ayacucho aankwamen natuurlijk nog niet, hoewel het feit dat Geertje de enige in de bus was die het de hele nacht bloedheet had, misschien wel een slechte voorbode was. Maar goed, slapen hebben we in de bus goed gedaan en het ontbijtje die ochtend bij het hotel wekte nog niet de schijn dat ik één dag later alleen op pad zou gaan en ook terwijl we met Guus en Sophie videobelden, wees nog niets op een aanstaande diarree-aanval. Sterker nog: ik was degene die vandaag af en toe weer wat buikkrampen voelde, maar de poep bleef goed, dus er was niks aan de hand. Het klinkt aannemelijker dat het de pizzapunt was die Geertje in een doggybag vanuit Huacachina had meegenomen die ze bij het verlaten van de bus verorberde, maar weten zullen we het niet. De Hoek van de Doden, zo luidt de vertaling van Ayacucho. Waarom de stad zo heet, daar kom ik later nog op terug, maar laat dat stukje met ‘doden’ ons maar even bespaard blijven, alsjeblieft.

Dansend op de vulkaan


Zorgeloos trokken we aan het begin van de middag richting het centrum van Ayacucho. Mooie stad, dat Ayacucho, maar dan moet je wel in het centrum zijn. Intussen hebben we geleerd dat Peru als geen ander magisch mooi kan zijn, maar tegelijkertijd ook immens lelijk. Wij zitten een kwartiertje buiten het centrum en in onze wandeling naar het Plaza de Armas, lopen we langs bergen vuilnis en kunnen we de onafgemaakte gebouwen zoals we ze inmiddels in Peru wel kennen, niet op onze vier handen tellen. Maar wees niet bang: deze keer heeft de lens slecht oog voor Peru's schoonheid.

Rondom het Plaza de Armas, het hart van Ayacucho, is dat vuilnisprobleem dus een heel eind opgelost. Het is weer een typisch Latijns-Amerikaans pleintje, dat Plaza de Armas. Zo zien we er vele, maar die in Ayacucho behoort toch wel tot een van de mooiste en sfeervolste die we hebben gezien. Een groot park geflankeerd door prachtige huizen met klassieke balkonnetjes en balustrades en de mooie bruin-rood-witte Catedral de Ayacucho. Dat wordt dan ook onze eerste activiteit van de middag: het is alweer heel lang geleden, maar we gaan weer eens een keer ouderwets een kerk bezoeken.


Pascua en Semana Santa

En dat nog wel op Eerste Paasdag. Oftewel Pascua in Peru. Ze hebben hier geen Tweede Paasdag, maar die Semana Santa, de Heilige Week, waar ik het in de vorige blogs over had. En Ayacucho? Het blijkt zo te zijn dat dit dé belangrijkste stad van heel Peru is als het om Semana Santa (de Paasweek dus) gaat en vanuit het hele land trekken mensen naar Ayacucho om hier Pasen te vieren. Daar dachten wij even mooi deel van uit te gaan maken, maar blijkbaar is er hier op de zondag niet zo veel meer te beleven. Van zaterdag op zondag is in de nacht de laatste ceremoniële activiteit: dan gaat men hier zowat de hele nacht door met als hoogtepunt de Processie van Jezus Christus vroeg in de morgen, nog voor zonsopkomst. De hele stad gaat de straat op terwijl er een enorme anda (een gigantisch, rijk versierd draagplatform vol brandende kaarsen) door honderden mensen door de stad gedragen wordt. Een uniek fenomeen. Maar dat zien wij niet. Er reden alleen nachtbussen van Ica naar Ayacucho, dus overdag konden we de reis niet maken en om onze (schoon)moeder Anita een dag eerder maar lekker in Huacachina te laten staan, vonden we ook niet het beste idee van de wereld.

Waarom vertel ik dit dan? In die kathedraal staat namelijk die schitterende, mega indrukwekkende anda nog de hele dag om bewonderd te worden. Het stikt hier dus van de selfie-makende Peruanen die allemaal op de foto willen met het heiligdom dat de afgelopen nacht hier door de straten is gegaan. We geven ze geen ongelijk. Die anda is unitgroot, is ontzettend mooi versierd en is tot in detail uitgewerkt. Als ik een Peruaan was, dan had ik ook wel een selfietje voor m’n Insta gemaakt.

Catedral de Ayacucho

De kerk daarna zelf is ook mooi. Maar dat is het ook, hé: gewoon mooi. Want ja, dat zijn kerken natuurlijk altijd wel, maar dat is het ook wel. Als je al in Vaticaanstad of in Barcelona hebt rondgelopen, dan ben je van een Zuid-Amerikaans kathedraaltje niet zo snel meer uit het veld geslagen. Maar goed, het kost ook geen drol, dus we vinden het een prima besteding van de middag. Trouwens: catacomben van zo’n kerk mag je maar zelden betreden hebben we het idee, maar in de Catedral de Ayacucho mogen we dat dus wel! Dat is dan wel weer best indrukwekkend. We sluiten af met het aansteken van een kaarsje voor onze overleden opa’s en oma, waarbij de kaars van Geertje eerst meteen uitgaat (zal haar opa vanaf bovenaf weer aan het plagen zijn). Denken we toch nog even aan ze op deze mooie plek.

Trouwens, dit alles was Geertjes idee. De kerk in, de catacomben bezoeken, het bijbehorende minimuseumpje... Allemaal dingen waarbij Geertje normaliter hijgend en zuchtend meegesleurd moet worden. Ik denk dat het steeds duidelijker wordt waarom Geertje morgen ziek zal worden. Hier is het namelijk al begonnen.

Het plaza de armas

Daarna valt ons oog op de balkons en die ballustraden die de huizen naast het Plaza de Armas versieren. Vier van die balkonnetjes bevatten namelijk ook terrasjes! Nou, idyllischer dan dat ga je het niet krijgen met dit sfeervolle plein als achtergrond. Via een tourbedrijfje waar we alvast een halve dagtour voor morgen boeken, gooien we zes bij het derde terras (de andere terrasjes zaten vol) en inderdaad: we hebben toch weer een pareltje van een dinerplek binnen weten te hengelen. We voelen ons net Spaanse conquistadores (maar dan wel de vredelievende soort) terwijl we een Cusqueña drinken met de eeuwenoude gebouwen en straten op de achtergrond. Het eten is ook weer geweldig: we delen een kwart kip en een stuk of 12 tequeños. Tequeños, het volgende fenomeen van de Peruaanse keuken. Gefrituurd deeg gevuld met kaas. Lijkt op loempia, maar dat is het dus niet. Evenals een loempia wel weer mega lekker. Net als de sausjes die we erbij geserveerd krijgen.

Het is heerlijk om over het bruisende stadsplein te turen. Ayacucho is nog een echte, traditioneel Peruaanse stad. We zijn weer terug in de bergen en dat zien we ook weer terug in de hoeveelheid Quechua die hier door de stad lopen. Overal van die kleine vrouwtjes (Quechua lijken altijd klein te zijn) met mooie, bruine gezichten, typische hoge hoedjes en kleurrijke, handgemaakte jurken en tassen. Alsof we een documentaire ingestapt zijn. Ook weinig toeristen, trouwens. Of ja, een hoop Peruaanse toeristen die hier voor Semana Santa zijn, maar buiten hen is het zoeken naar Westerse toeristen in Ayacucho als een verschrikkelijk lastige Where’s Waldo?-tekening. Als je tegen een willekeurige backpacker zegt dat je naar Ayacucho gaat, dan zullen ze je vaag aankijken en je vragen of je wel weet dat je in Peru bent. In het toch al niet super toeristische Zuid-Amerika zijn we in een zee van Peruanen twee eenzame, witte boeien. En dat is heerlijk, want dat maakt deze plek enorm authentiek.

We besluiten een filmavondje te doen want morgen hebben we een drukke planning. We hebben één dag in Ayacucho want in de avond nemen we alweer een nachtbus naar Cuzco, maar die avond willen we ten volste benutten. De reizigerswereld in Peru ligt namelijk te slapen, want waar Huaraz eerder ook al de Intertoys-vergelijking mocht genieten, zouden we van Ayacucho datzelfde kunnen zeggen. Hier is ONWIJS veel te doen! En wij hebben maar één dag gepland… als we ooit terugkomen in Peru, dan gaan we sowieso terug naar Ayacucho en dan boeken we met gemak een week in deze stad. Die beslissing hadden we al gemaakt voordat we wisten dat het noodlot vannacht toe zou slaan en Geertje in de ziekenboeg zou belanden. Je weet het al uit de inleiding: buikkrampen, diarree en een pijn zoals ze die nog nooit heeft gehad. Helaas ga ik die dag erna er in m’n eentje op uit, want Geertje heeft het ziek zijn van me overgenomen en zal de hele dag niets anders zien dan de vier muren van de slaap- en badkamer. Natuurlijk is er nog even twijfel als ik opsta om te gaan, want je wilt het liefst voor de ander zorgen, maar we hebben het er al vaak over gehad: als er één ziek is, mag de ander gewoon op pad.

Dan dus maar alleen. Om half negen ontbijt ik zelf maar even op het Plaza de Armas en gelukkig is het wat vroeger op de dag aanzienlijk rustiger op die balkonnetjes met als resultaat dat ik zonder enige moeite een plekje met uitzicht over het plein weet te bemachtigen. Afgezien van het feit dat Geertje op bed ligt, kon de dag niet beter beginnen.

Cañones de... hele moeilijke naam

Even later zit ik in een grote 7-persoons SUV vol Peruanen. Ik zei het al eerder: witte toeristen vinden in Ayacucho is makkelijker gezegd dan gedaan. Gelukkig blijkt één van de Peruanen een halve te zijn: een Amerikaan wiens ouders in Ayacucho wonen en toevallig voorziet deze kameraad z’n ouders vandaag van een bezoekje. Als het Spaans me vandaag te veel wordt, heb ik in ieder geval een vertaler aan m’n zijde. Na een kort ritje met een vertraging van vijftien minuten door een stel boeren die met hun stieren worstelend de straat oversteken, stappen we uit bij Cañones de Qorihuillca (spreek dat maar eens uit), een op het eerste gezicht weinig opzienbarende kloof ergens in het gebergte rondom Ayacucho. Wanneer we met z’n allen dichterbij komen, kan dat stukje ‘weinig opzienbarend’ al vrij snel plaats maken voor termen als ‘angstaanjagend’ en ‘huiveringwekkend’. Ik kijk 45 meter recht naar beneden. Nou ja, je hoeft daar niet in, toch? Jawel, we gaan abseilen.

Het blijft ijzingwekkend stil als onze gids vraagt wie als eerste wil. “Primero el exranjero, sí, claro”,  zeg ik. Natuurlijk de buitenlander eerst. Ik word getrakteerd op gelach van de groep. Blijkbaar beschik ik over humor in het Peruaans. Dus ga ik maar eerst. Nog nooit geabseild en de eerlijke bekentenis is dat het behoorlijk spannend is. Ik krijg natuurlijk zo’n harnasje om, maar het is maar één touw dat ervoor zorgt dat ik niet tot pannenkoek gedegradeerd word op die rotsen 45 meter onder me. “Qué alto!” roep ik nog maar eens. Weer gelach van de Peruanen en met de daaropvolgende veer van zelfvertrouwen in m’n achterste dartel ik als een jonge hinde in de weide die Cañones de Qorihuillca in.

Het nadeel van als eerste gaan, is dat je op de rest moet wachten voordat je verder kunt. Ik ontdek al vrij vlug dat ik redelijk snel was, want even later volgt er een jongedame die van gekkigheid niet weet hoe ze omlaag komt en het verrast me niet als ze een kwartier over die 45 meter had gedaan. Gelukkig is de kloof waarin we staan een heel erg mooie: de oranje rotspartijen en de steile wand die recht omhoog loopt, vormen samen een geweldig plaatje.

Als iedereen eindelijk beneden is, is het tijd om door de kloof met die verschrikkelijk moeilijke naam te denderen. In een halfuurtje lukt het om gewapend met een zaklamp kruipend en klimmend door de kloof te gaan. Het is er prachtig. Bepaalde stukken zijn pikkedonker, bij andere stukken schijnt het zonlicht een feloranje gloed op de rotsen die doet vermoeden dat je in een of andere verborgen elfjeswereld bent beland, waar ik door mijn Peruaanse medespeleologen meermaals gesommeerd wordt om als een of ander fotomodel tegen de rotswand te gaan staan (deze kekke poses zijn dus NIET mijn idee). We lopen ook nog langs een altaar, vol met stenen en verbrande bonen (don’t shoot the messenger). Voor zieken en overledenen. Een metgezel heeft ook een paar verbrande bonen voor de gelegenheid in z’n jaszak verstopt (ik weet niet wat het is met altaars en verbrande bonen hier, maar daar ben je als Peruaan blijkbaar op voorbereid) en ik krijg er een paar in m’n handen gedrukt. Ik had al een steentje voor Geertje gegooid (men legt niet, men gooit), maar voor haar gezondheid werp ik er ook een verbrande boon bij. Opdat het mag helpen.

Parijs

Ik ben dolgelukkig dat ik op deze prachtige plek ben geweest, maar toch is het jammer dat ik dat niet met Geertje heb mogen delen. Maar dat is wat het is: als de één ziek is, hoeft de ander daar niet door geremd te worden. Da’s de afspraak die we hebben en dat Geertje er in Lima in haar eentje op uit ging, vond ik ook prima. Met worstelende gedachtes maak ik nog een wandelingetje door het centrum van Ayacucho, waar ik pardoes stuit op de dubbelganger van de Arc de Triomphe van Parijs. Een beeldschoon bouwwerk doemt in de verte achteraan een zijstraat van het Plaza de Armas op en nabij dit creatieve, rood-witte staaltje architectuur, wandel ik door een bruisende Quechua-markt waar het een chaos is van mensen uit Ayacucho en de Quechua uit de omgeving. Hoe die boog heet? Arco del Triunfó. Niet de winnaar van de originaliteitsprijs als je het mij vraagt.

Een kort ziekenbezoek aan mijn wederhelft volgt. Het gaat al de betere kant op, want ze houdt haar maaginhoud in ieder geval wel weer binnen, maar het ziek zijn overheerst nog. Ook de middag spendeer ik dus in m’n eentje, maar een ander belangrijker besluit wordt genomen: we nemen vanavond de nachtbus naar Cusco, ongeacht hoe het gaat. Het is vandaag Tweede Paasdag – wat dus iets Nederlands is, want Pasen is hier dus voorbij – en dat is 6 april en op 9 april hebben we de vierdaagse Inca Jungle Trail naar het legendarische Machu Picchu op de planning staan. De hoop is dat we die toch kunnen doen en we willen, zeker gezien mijn recente medische geschiedenis, bij Geertje geen enkel risico lopen en naar het ziekenhuis gaan met de klachten die ze heeft. Gewoon, voor de zekerheid, zodat we weten dat we fit de trek kunnen starten. Het lijkt ons het beste om dat in Cusco te gaan doen. Daar willen we namelijk heel lang blijven (ook weer zo’n speeltuin aan activiteiten) en de artsen daar zullen met haar klachten waarschijnlijk de beste inschatting kunnen maken over wat wel of niet verstandig is om te doen. Een extra dag hier is weer een extra dag in bed en Cusco is meer toeristisch, dus de kans op goede medische hulp is ook groter. Dan maar een diarreeremmer en wat paracetamol erin en even bikkelen in die nachtbus.

Pampa de Quinua

Dus ik ga door. Ik regel een taxi en ik krijg David als chauffeur. Een goeie knaap, die David en dat is maar goed ook, want hij rijdt mij in een uurtje naar het dorpje Quinua (vernoemd naar quinoa, want hier groeit het veel, maar quinoa komt hier niet oorspronkelijk vandaan) vanwaar ik de Pampa de Quinua op ga: een hoge, open grasvlakte (= Pampa, weer wat geleerd) op 3396 meter hoogte. Dit is een van de belangrijkste historische plekken van heel Zuid-Amerika. De Pampa van Quinua is namelijk dé plek die symbool staat voor de onafhankelijkheid van heel Zuid-Amerika, want hier heeft de Slag bij Ayacucho plaatsgevonden, de laatste veldslag in Zuid-Amerika, waarna de Spanjaarden in het naastgelegen dorpje Quinua hun overgave tekenden.

Zuid-Amerikaanse onafhankelijkheid

Als je onze Colombiaanse blogs gelezen hebt, dan zul je Simón Bolívar nog wel kennen. Die was verantwoordelijk voor de onafhankelijkheid van Panama en Colombia. Bolívar bevrijdde Zuid-Amerika vanuit het noorden. Dan heb je nog die andere kornuit: José de San Martin. Deze vrolijke vriend gaat vanaf nu belangrijker worden, want De San Martin zette de onafhankelijkheidsstrijd vanuit het zuiden in. We gaan vandaag wel weer terug naar Bolívar, want Peru is het land waar de paden van deze twee makkers een beetje door elkaar lopen. In het kort: De San Martin riep in 1821 de onafhankelijkheid uit, maar Spanje besloot het bijltje er nog niet bij neer te leggen. In 1822 ontmoetten De San Martin en Bolívar elkaar in Ecuador en kwamen ze erachter dat ze toch wel wat kleine meningsverschilletjes hadden (de één wilde republieken in Zuid-Amerika, de ander wilde koninkrijken), waarna De San Martin z’n ego aan de kant zette en zich terugtrok. Bolívar nam de strijd over en hoewel Peru dus al de onafhankelijkheid onder De San Martin had uitgeroepen, duurde het tot 9 december 1824 totdat Spanje na de Slag bij Ayacucho – waar de Spanjaarden met een numerieke meerderheid en veel betere wapens tóch het onderspit delfden – besloot om hier, in het pittoreske Quinua, hun verlies te ondertekenen, zich terug te trekken uit Zuid-Amerika en zo het continent vrij te maken.

Op de Pampa

En die allerlaatste veldslag tussen 6000 Zuid-Amerikanen en 9000 Spanjaarden vond plaats op deze hoogvlakte. De Pampa de Quinua. Ook als je niet van geschiedenis houdt, is die Pampa de Quinua de moeite waard om te bezoeken. We zitten immers op 3396 meter hoogte, dus de bergen die om je heen uit de grond schieten bezorgen al een natuurlijke schoonheid waar je u tegen zegt, maar als je dan ook nog zo’n open grasvlakte hebt en je dus eindeloos weg kunt kijken, dan wordt je netvlies toch wel heerlijk in de watten gelegd. In het midden van die Pampa staat een 44 meter hoge Obelisk, als monument ter herdenking aan die allerlaatste veldslag. Statig en vorstelijk en honderden meters voordat je ernaast staat, zie je ‘m al. Die slag kwam dus als de Slag bij Ayacucho bekend te staan. Gek, want Ayacucho bestond toen nog helemaal niet. Toen heette het nog Huamanga. Bolívar besloot na de slag de naam van de stad Huamanga te veranderen in Ayacucho. De Hoek van de Doden, ter nagedachtenis aan wat er hier allemaal gebeurd is. Zo, dan hebben we die naam ook weer verklaard. Ik ben in ieder geval blij met de naamswijziging, want anders was dit de vierde van tot dusverre zes Peruaanse blogs over plaatsen die met Hua beginnen.

Maar even naar die obelisk: 44 meter hoog, omdat Peru 44 jaar voor onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden gevochten heeft. Eindigend met de Slag bij Ayacucho in 1824, beginnend bij de opstand onder leiding van Túpac Amaru II in 1780. Ja, Túpac. Tupác Amaru I was de laatste leider van het Inca-Rijk en Tupác Amaru II was eigenlijk gewoon een gast die het wel toepasselijk vond om zichzelf in de naam der onafhankelijkheid naar die Inca-leider te vernoemen. En ja, die Amerikaanse rapper Tupac heeft zich daar weer naar vernoemd. Het kroegfeitjesgehalte van deze blog heeft alweer de dichtheid van mensen in een NS-trein tijdens de spits.

Na een uurtje mezelf vergaapt te hebben aan de magnifieke obelisk en meermaals beseft te hebben hoe bijzonder deze plek is, stap ik weer bij David in de taxi. Voor een nabijgelegen ruïne van de Wari-beschaving (dezelfde Pre-Columbiaanse bevolkingsgroep die ook in Lima zat) hebben we gezien de nachtbus geen tijd meer en dan zijn er nog tig andere activiteiten die je kunt ondernemen en plekken die je kunt bezoeken rondom Ayacucho. Het is wel weer gezellig in de auto. Ik heb dadelijk twee uur met David in de auto gezeten en aan een stuk door hebben we geluld. In het SPAANS! Ja, ik vind het toch best cool dat ik na een halve cursus die door Corona was afgebroken en een hoop zelfstudie nu in staat ben om twee uur lang Spaans te praten met m’n taxichauffeur. Weer een veer in m’n reet vandaag, maar nu door mezelf.

Corruptie

Wat ik wel interessant vond, is de corruptie die David aankaart. We hebben al vaker van Peruanen gehoord dat ze de enorme corruptie in hun land echt als een groot probleem ervaren. Daniel van de foodtour in Lima vertelde al hoe er massaal stemmen gekocht en vervalst worden en dat dat gewoon in het openbaar bij supermarkten gebeurt. Stem op onze partij? Dan krijg jij deze maand gratis Pisco! (Zou ik het ook voor doen.) Fietstourgids Julio deed er nog een schepje bovenop: op dit moment zitten er vijf (!!!) voormalig presidenten van Peru in de bak wegens schandalen van het accepteren van steekpenningen en witwassen tot machtsgrepen en het schenden van de mensenrechten.

Ik vraag ‘m dus maar hoe David die corruptie in z’n hedendaagse leven ervaart. “Kijk maar om je heen”, zegt-ie, zodra we door de buitenranden van Ayacucho rijden. Ik zie gaten in de weg en ik zie, zoals we het al kennen, een heleboel onopgeruimd vuilnis. “De president steekt geen enkele Sol in het onderhoud van de infrastructuur of in het opruimen van vuilnis”. Dat verklaart de lelijkheid die Peru ons soms ook laat zien. In Nederland loopt de politiek echt niet altijd op rolletjes, maar als je dit hoort, besef ik toch maar eens te meer dat we wat minder redenen tot klagen hebben. “Het verbaast me niks als Boluarte” – de huidige president – “ook in de bak belandt”, zegt David me. Ik ben benieuwd. We gaan het misschien wel zien. Net als in Colombia, timen we ons bezoek aan Peru ook goed: aanstaande zondag zijn in Peru namelijk de verkiezingen.

Reactie plaatsen

Reacties

Marianne
2 dagen geleden

Wéér een indrukwekkend verslag! Heel jammer dat Geertje nu gebruik moet maken van de ziekenboeg maar het is hopelijk ook een lesje om die pizzapunt niet buiten de koeling te bewaren en daarna alsnog naar binnen te werken. De hygiene in Peru laat ook te wensen over zo te lezen.
Als (niet praktiserend) katholiek weet ik de rites echt te waarderen. Prachtig die Anda en de bloemen in de kathedraal lijken wel een miniatuur Sint Pietersplein. En natuurlijk is het opa Jan die de kaars uitblaast. Een beetje plagen is hem wel toevertrouwd!
Fijn dat jullie de afspraak hebben kunnen maken dat de zieke de fitte niet zal belemmeren. Een win/win situatie waarbij de zieke de broodnodige rust krijgt en de fitte zijn gang kan gaan. In dit geval met de Koningsspelen in de oranje abseilgrot!

Opa en oma
2 dagen geleden

Een heel verhaal! Het abseilen, de kloof, de kathedraal en dat enorme draagplatform, de interessante "geschiedenisles" en last but not least de indrukwekkend hoge obelisk!
Gaat het nog goed met jullie?