Colca Canyon - 301 redenen om nog eens terug te keren

Gepubliceerd op 28 april 2026 om 18:00

Waggel, waggel. Waggel, waggel. Waggel, waggel. Het is een hobbelrit, de bus die ons van Arequipa in ruim zes uur naar het minuscule dorpje Cabanaconde in de Colca Canyon brengt. Dat komt Geertjes staat van zijn niet ten goede: het Koningsdag-feestje van gisteravond is op z’n zachtst gezegd niet zo heel erg goed gevallen bij mijn wederhelft. Geertje kijkt meer naar de binnenkant van haar oogleden met behulp van een duf-makend wagenziektepilletje, dan naar de wonderbaarlijke natuur die zich voor onze ogen openbaart. Want de route die we rijden is, zeker wanneer we Arequipa uit zijn, met gemak de mooiste tot nu toe.

Apegapen tijdens de mooiste busrit van je leven

Deze allermooiste route vormt zich vooral door het stuk van het dorpje Chivay naar het nog kleinere gehucht Cabanaconde waar we de nacht gaan spenderen. Weet je het nog van die Chicamocha Canyon in Colombia? Dat ik zei dat-ie dieper was dan de Grand Canyon, maar er in Peru twee kloven zijn die nog dieper zijn dan die Chicamocha Canyon? Nou, één van die kloven is de Colca Canyon. Even voor jouw beeld: met een diepte tot 3270 meter is-ie bijna twee keer zo diep als de Grand Canyon. Het zal je dan ook niks verbazen dat de uitzichten die we tijdens deze route mogen waarnemen, ongeëvenaard groots en mooi zijn. En dan te bedenken dat de concurrentie van de afgelopen maanden niet bepaald mals was. De wereld is prachtig en natuur is adembenemend en bewonderenswaardig, maar dat Moeder Aarde in Peru nog een paar stapjes extra heeft gezet en nog een klein beetje extra haar best heeft gedaan., staat buiten kijf. En wij genieten lekker mee.

Terwijl we (lees: ik) ons vergapen aan de magistrale vergezichten die de canyon ons biedt, ligt Geertje lekker te slapen. Laura, Nienke en nog een handjevol andere Koningsdag-gangers begrijpen volledig wat ze doormaakt, want die zitten deels in hetzelfde schuitje. Terwijl ze ligt te tukken, ontvouwt zich buiten iets bijzonders: in de verte grazen een stuk of tien dieren in de heuvelachtige weiden. Hertjes, lijken het wel. Goudbruin van kleur, slank, statig en knuffelbaar tegelijk. Wat het is? De vicuña! We hebben de kameelsoorten-van-Zuid-Amerika-bingo compleet. Of ja, we: ik. Geertjes oogleden zijn nog steeds stevig op elkaar geklemd en bij het roepen van bingo, zou ze nu een liedje moeten zingen wegens een valse bingo. Zij heeft de vicuña nog niet gespot.

The ugly, the bad and the good

Cabanaconde stelt niet veel voor. We krijgen kamer 301 toegewezen. De kamer huisvest een paar vliegenfamilies en de douche riekt naar een pot witte verf van de Karwei. Niet dat we zonder die stank wel gedoucht hadden, want de handdoek behoort niet tot de inboedel van een hostelkamer in dit gebouw en de allervriendelijkste eigenaar van het hostel is na het inchecken al met de noorderzon vertrokken. Het dorpje kent slechts twee restaurants: één die de eerste keuze is van reizigers die zich naar Cabanaconde begeven en de ander die de tweede keuze vormt. De eerste keuze, Pachamama, zit tot aan de laatste stoel vol. Naar keuze twee, Chapi, dus. Waarom Chapi keuze twee is, blijkt al snel, want wij zijn weer in de Zuid-Amerikaanse pizzaval getrapt. Begrijp me niet verkeerd: wie goed zoekt, vindt een goede pizza in Zuid-Amerika, maar wie er met de pet naar gooit, komt bedrogen uit. Buiten het feit dat die uitspraak wel op een tegeltje kan, is het ook waar: Zuid-Amerikaanse pizza’s kunnen ongekend smerig zijn. De pizza die we moeizaam naar binnen moffelen in Chapi, fietst daarom binnen op een rechtstreekse degradatieplek. 75% slecht gebakken deeg en toppings die naar de smaak te oordelen nog niet uit de verpakking zijn gehaald. Geertje kan het maar weinig interesseren: die is pas net weer boven Jan en haar laatste maaltijd dateert alweer van 36 (!!!) uur geleden. Op een gegeven moment wordt een handvol zand dan zelfs een vijf-sterrenmaaltijd.

Om half acht checken we al uit. Onze rugzakken zijn gevuld, maar onze grote backpacks laten we achter bij de hondsvriendelijke eigenaar van het hostel. Het is alweer een tijdje geleden dat we in een pittoresk dorpje als deze zijn geweest, maar dat is wel weer even lekker. Wat Cabanaconde tekort komt in slaapkamerkwaliteit en de smaak van eten, maakt het goed in de enorme solidariteit, saamhorigheid en behulpzaamheid. Luister maar eens even. Met iets te weinig contanten zijn we in Cabanaconde gearriveerd. Geld pinnen is er namelijk een utopische koortsdroom, maar heel het dorp probeert met man en macht ervoor te zorgen dat we bij de restaurantjes komen te zitten en bij de winkels binnenlopen waar onze pinpas wel wat te zeggen heeft. Die gemeenschapszin: prachtig. In dorpjes als Cabanaconde sta je nooit alleen.

Condors kieken

We staan ook niet alleen als we om 8 uur uit de taxi stappen bij Mirador Cruz del Cóndor. Mirador Cruz del Cóndor is namelijk dé reden waarom mensen naar de Colca Canyon trekken. Je zou zeggen dat deze veel te enorme kloof al reden genoeg is, maar dat is niet waar. Om half 9 arriveert er een kolonne aan tourbusjes uit Arequipa zo lang als een vrachtrein. Dagjesmensen die vijf uur in de bus zitten om precies op dit moment op dit plekje in de Colca Canyon te zijn. Waarom? Buiten het gegeven dat de Colca Canyon een top-5-kloof qua diepte is, vind je op precies deze plek nog een ander mirakel van moeder Aarde: de andescondor.

Iedere dag tussen grofweg half 8 en 10 uur vliegen de andescondors steevast door dit stuk van deze gigantische vallei. Iedereen wil zo'n andescondor zien, maar waarom willen we nou met z’n allen dat vogeltje zien? Buiten het feit dat het behoorlijk zeldzame vogels zijn (er zijn nog maar 6700 stuks die hier door de Andes vliegen), zijn dit de grootste roofvogels van de wereld. Vleugelspanwijdte? Gemiddeld 3 meter, met uitschieters tot 3 meter 30. Wauw. Wat een units. Gelukkig is die toeristenkolonne nog niet gearriveerd als we om 8 uur uitstappen, dus zijn we met een man of 15 boven om naar deze majestueuze beesten te kijken. Maar heel eerlijk? Aanvankelijk valt het ons een beetje tegen. Het magistrale uitzicht is interessanter dan de condors, die we in de verte een beetje rond zien fladderen. Ik besluit maar in te gaan zoomen met onze camera, maar dat bleek een fout: ik haal ‘m uit de hoes en KLATS! De oplader van de camera valt uit het tasje en dendert zo regelrecht de vergetelheid van de kilometersdiepe afgrond van de Colca Canyon in! SHIT. Die oplader waar we destijds in Panama-Stad ZO VEEL moeite voor hebben gedaan! Een behoorlijke blunder, maar als ik daarna de weergaloze foto's bekijk van de condors, is die scheve schaats het meer dan waard gebleken. Nu maar hopen dat dit rondje van de batterij héél lang meegaat.

Er is ook een klein wandelingetje te maken nabij Cruz del Cóndor en gelukkig kiezen we ervoor om even de trappen naar beneden te knallen, want dan kunnen we gelijk terugkomen op de indrukwekkendheid van die andescondors. Van een afstandje lijken het gewoon vogels die een beetje door de lucht zweven, maar als we beneden zijn, besluit er een exemplaar ter grootte van een Volkswagen Polo onze kant op te vliegen. WOW! Pas als ze dichterbij komen, zie je waarom alle dagjesmensen even later - nu zijn we nog met een handvol - massaal de minivans uitstappen. Pluspunten voor de andescondor.

We gaan weer terug naar Cabanaconde. De andescondor kan van het lijstje gevinkt worden en wat ons nog rest is gewoon heerlijk genieten van de sensationele natuur die de Colca Canyon ons voorgeschoteld heeft. Dat gaan we doen middels een daghike, diep de canyon in. Na een ontbijt van pasta bolognese die we delen (het is vakantie, laat ons lekker), halen we onze wandelstokken op bij ons hostel (een primeurtje in ons leven, wandelstokken) en beginnen we aan de hike van Cabanaconde naar Llahuar. Hierom laten we de backpack bij ons hostel achter en gaan we met een daypack op pad. In Llahuar hebben we namelijk een lodge voor één nacht geboekt.

Van Cabanaconde naar Llahuar

Het gaat een flinke afdaling worden. Cabanaconde ligt op 3300 meter en Llahuar ligt ergens onderin, bijna op de bodem van de canyon, op 2100 meter hoogte. Dat is nog steeds hoger dan de Vaalserberg, maar voor Andesbegrippen is dat de equivalent van de bodem van een put. Klinkt lekker, alleen maar omlaag wandelen en inderdaad: je longen en je hart zullen je vast een kaartje als bedankje sturen, maar je knieën en tenen die tegen de voorkant van je schoen aanketsen worden met zo’n afdaling het kind van de rekening. De Colca Canyon is verbluffend en magisch, maar ook zo steil als het haar van Naomi Campbell. En het pad is geen keurig betegeld stoepje langs het kanaal, maar een slagveld aan losse rotsen, stenen en keien.

Maar het is dus wel een betoverend mooie wandeling. Deze kloof is zó ontzettend diep. Je kunt het je gewoon niet voorstellen. Uren aaneen worden we getrakteerd op fabelachtige vergezichten en we kunnen je vertellen dat het nooit verveelt. De bergen die dramatisch boven ons uit torenen geven schilderachtige impressies. De paadjes die zigzaggend naar beneden gaan zijn lang en eindeloos, maar het nietige gevoel, het gevoel dat wij slechts mieren zijn op een berg vol olifanten, maakte iedere stap de moeite waard.

Niet dat het helemaal van harte gaat. Iets na halverwege stoppen we voor een lunch (we hebben allebei een heerlijke, maar machtige avocadosandwich van de eigenaar van dat 'eerste keus'-restaurant meegekregen) en komen we tot de conclusie dat deze wandeling z’n tol begint te eisen. In tegenstelling tot het frissere Cusco en het milde Arequipa (waar je iedere twee minuten je kleding kon wisselen omdat de temperatuur daar altijd net-wel-net-niet is), is de Colca Canyon ondanks haar hoogte een airfryer die continu aanstaat. Da’s nog niet zo erg, maar de steile afdaling in combinatie met de gevaarlijke, losse stenen die de ondergrond vormen, maakt dat m’n knieën wat klachten beginnen in te dienen en Geertje voelt twee blaren op de zijkant van haar hakken zitten en ze begint een rare pijn in haar tenen te krijgen die ze nog niet kan plaatsen. Op dat moment weten we nog niet dat die twee blaren de omvang van twee aardappels hebben en er bloedblaren onder haar teennagels aan het groeien zijn. Toch volbrengen we de hike met groot gemak (we hebben door het gebrek aan stijgen al veel zwaardere wandelingen gehad), maar toch hebben we ons op dat steile afdalen een klein beetje verkeken. Gelukkig is het nagenieten van de prachtige plaatjes die we onderweg gemaakt hebben een stuk makkelijker. Dronie heeft overigens een foto van een condor gemaakt. Weet jij 'm te spotten?

Llahuar Lodge

Het is dus wel een verademing als we net na drieën bij Llahuar Lodge arriveren en de wandelschoenen plaatsmaken voor slippertjes, wanneer we eens te meer inchecken bij kamer 301 (ja, serieus). Het is hier wanneer we schrikken van de omvang van Geertje blaren, maar dat maken de natuurlijke hot springs zo’n honderd meter onder de lodge bij de oever van de Colca alleen maar relaxter. Hot springs krijgen voor ons altijd een dikke vette +10, zeker als we gezellig met andere reizigers die hot springs mogen delen.

Zuid-Amerika vs. ZuidOost-Azië

Nienke en Laura hebben het ook tot hier gered, samen met de anderen die hun zevenkoppige groepje compleet maken. Het is even gezellig, maar we vinden daarna ons toevlucht bij een koppel uit Gouda. Reizigers trekken doorgaans niet naar Cabanaconde om te hiken, maar ooit hebben de reizigers die een bekende Nederlandse site beheren dat wel gedaan, waardoor je in deze contreien voor 60% Nederlanders aantreft – een hidden gem dus, die Colca Canyon, want praktisch de enige reizigers hier zijn Nederlands. Maar goed, naar dat koppel uit Gouda, dus. Niet omdat Nienke en Laura niet gezellig zijn. Nee, integendeel zelfs: met Nienke en Laura hebben we de tijd van ons leven in Arequipa op die rafts gehad. Het is het groepje met wie ze reizen dat ons niet helemaal naar het hart ligt. Te jong is meestal niet zo erg, maar in dit geval is het studentikoze ons net wat te irritant.

Maar de toeristen en reizigers die we in Zuid-Amerika tegenkomen zijn toch doorgaans een stuk ouder dan in Zuidoost-Azië? Nou, dat klopt, totdat we in Peru kwamen. Kijk, vergeleken met Zuid-Amerika, is Zuidoost-Azië een toeristisch pretpark, maar ongeveer tegelijkertijd met onze aankomst in Peru, besloot ome Donald uit de States dat het een goed plan was om Iran te bombarderen. Het resultaat? Europeanen kunnen niet meer naar het oosten toe en zoeken massaal hun toevluchtsoord in Zuid-Amerika. Dat is niet altijd erg. Jelte en Isa die we in Lima en Cusco zagen bijvoorbeeld. Jong stel, maar je hebt er wel de tijd van je leven mee. Zouden eigenlijk naar Sri Lanka gaan, maar konden last minute niet naar het oosten. Helemaal mooi, lachen, gieren, brullen. Maar die Leidse korpsballetjes die Nienke en Laura op hun trips vergezellen? Die hadden eigenlijk trips naar respectievelijk Vietnam, Thailand en het Indonesische Bali gepland. Die vinden het belangrijker welke drugs ze waar nemen en hoeveel paddo’s ze per persoon naar binnen weten te jonassen. Na twee weken Peru beginnen de heren dat jointje op de bank ook te missen en de superdoorsnee reisroute die iedereen die Peru bezoekt doet en die natuurlijk ook de hunne is, is perfect en in alle opzichten beter dan de routes van alle anderen. Geen zin meer in deze haantjes. Vermoeiend. Dan zitten we gevoelsmatig alweer op een of ander tropisch Thais eiland met naïeve, over het paard getilde backpackers wier ouders (hier ook het geval, hebben we nagevraagd) hun tripjes betaald hebben. Hou dat soort ongein maar in Zuidoost-Azië alsjeblieft.

Het zal je nu dus niet meer verbazen waarom we ons toevlucht zochten bij dat stel uit Gouda. Wat ouder en geen onderdeel van het stereotype Thailand-Bali-'reiziger'. Hoe ze heten? Geen idee. Hoe ze eruit zien? Je zag ze ergens op de eerste foto in de hotsprings zitten. Kijk, soms ontmoet je mensen maar vergeet je simpelweg jezelf voor te stellen, de naam van de ander te vragen of om foto’s te maken. Dat klinkt gek, vooral dat eerste, maar op reis is dat anders. Na vandaag zullen we ze ook niet meer zien. Net zoals altijd, volgen wij een andere route dan de leuke mensen die we ontmoeten. Maar dat deert niet. Een gezellige avond met twee anonieme toppers uit Gouda blijft hoe dan ook in het geheugen gegrift staan.

Terug naar Cabanaconde lopen we niet. We waren aanvankelijk van plan om drie dagen in de Colca Canyon te hiken, maar door ons ziekteverzuim in Peru en de uitgelopen reisplannen, hebben we besloten om de driedaagse te verkorten naar één dag. Zonde? Wellicht, maar ergens moeten keuzes gemaakt worden. Drie dagen lopen levert ons namelijk niets nieuws op; alleen meer tijd in dezelfde, adembenemend mooie natuur. Dat is fantastisch, maar als we dan ergens kunnen schuiven, dan is het wel hier. Een taxi brengt ons met geweldig uitzicht om 8 uur in de ochtend in iets meer dan een uur naar Cabanaconde. We halen onze backpacks op, leveren onze wandelstokken in (aanvankelijk wisten we niet wat we ermee moesten, maar op den duur begon het onmiskenbare nut van deze extra benen toch duidelijk te worden) en gaan op zoek naar de bus. Gelukkig zijn we in die hechte community van Cabanaconde, want het hele dorp trekt de straat op om ons te helpen naar de juiste plek voor de juiste minivan. Zuid-Amerikanen zijn onder de wereldbevolking een beetje zoals de loempidellen en frikandellen speciaal dat in de Nederlandse snackbar zijn: onze favorieten.

De lange reis naar het volgende land

Dan begint een lange rit. Een rit van twee dagen. Bestemming? Bolivia. Je bent nu bezig met onze allerlaatste blog van Peru. Het mysterieuze, onbekende Bolivia lonkt. Is deze blog al voorbij? Nou, nee. Onderweg staat ons nog een onverwachte tour te wachten.

De minivan brengt ons na twee uur wachten op het plein in Cabanaconde in twee uur over diezelfde prachtige route langs de afgrond van de ontzagwekkende Colca Canyon van Cabanaconde naar Chivay, waar Geertje weer een nieuw hondenvriendje maakt. Na een paar laatste blikken geworpen te hebben (deze keer slaapt Geertje niet) op deze jaloersmakende natuur, stappen we over in een bus die ons naar Puno brengt, een paar uur (in Zuid-Amerikaanse begrippen is ‘een paar uur’ de equivalent van een Nederlands rivaliserend dorp) van de Boliviaanse grens. Zodra we instappen, komen we voor een verrassing te staan. Een Peruaans vrouwtje stapt in en spreekt ons toe: “Buenos días! Mi nombre es Alejandra y yo soy su guía por la tarde!” Voor de niet-Spaanssprekenden (de meerderheid, me dunkt): dit is Alejandra en ze is onze gids vanmiddag. Onze gids. We willen naar Puno reizen, maar we zijn in een tour beland. WAT!?

Impromptu-tour naar Puno

Laat gaan, laat gaan, laat gaan. Maar onzin verkoopt ze niet, die Alejandra. We zitten inderdaad in een tour. Maar we zijn ook onderweg naar Puno. Blijkbaar hebben we een bus geboekt die tevens als tour dient en onderweg naar Puno een paar tussenstops pakt om de reiziger te vermaken. Weet je wat? Go with the flow! Hier volgt onze onverwachtse roadtrip!

Mirador de los mondvol

De eerste stop! We stappen uit de bus. We zijn aan het hijgen als twee paarden die net een Olympische dressuurwedstrijd achter de rug hebben. Gaat de gezondheid weer achteruit? Nee hoor. We zijn héél casual uitgestapt bij een uitzichtpunt. OP 4910 METER! Ja, we rijden gewoon een route waar we even een tussenstopje maken op een punt dat hoger ligt dan het hoogste punt van heel Europa. Stelt niks voor toch? De hoogte is net zo indrukwekkend als het uitzicht. Op deze Mirador de Los Andes Tramo de la Cordillera Volcanica en los Andes Centrales (snap je; mondvol) kijken we uit op diverse vulkanen die de omgeving van Arequipa tekenen, waaronder de inmiddels bekende Misti. Zo nonchalant als we uitstapten, zo nonchalant rijden we ook weer weg.

De zuid-amerikaanse Kameelsoortenbingo

Onderweg naar de tweede stop spotten we in de verte weer een hoop vicuña’s. We kunnen ons geluk niet op, maar ze fotograferen vanuit een rijdende bus is makkelijker gezegd dan gedaan, maar we hebben alle geluk van de wereld bij de volgende stop: een kleine alpacafarm. Waarom? Nou, die alpaca’s hebben we intussen al honderden gezien, maar die illustere vicuña’s waren ons na zeven weken Peru toch wel ietwat enigmatisch geworden. Wat wil het geluk? Een zestal vicuña’s besluit bij deze alpacafarm even op de koffie te gaan! En weet je wat? We maken er een spelletje van. Geertje plaatst hieronder de foto’s en kijk jij maar of je nog weet wat het verschil tussen alpaca’s en vicuña’s is (ik heb in het begin van deze blog de vicuña omschreven). En let op! Er zit zelfs een baby alpaca bij! Die moest Geertje er wel 837.363 keer op hebben.

We stoppen bij een wegrestaurant waar we van bus wisselen. "Veinte minutos!" roept Alejandra. Dat zijn twintig minuten. Koffers eruit en bij de volgende bus erin. Alleen is de bus er nog niet. De bus waarmee we verder reizen naar Puno, moet vanuit Arequipa komen, dus verwacht ik nog even tijd te hebben voor een coca-theetje, maar als ik twee slokken van de kokend hete kop water heb gedronken, dendert daar opeens onze bus het terrein op. Godver. Moet ik die coca-thee weer wegwerken terwijl die nog op geisertemperatuur staat. Geertje helpt mee, maar als je weet dat Geertje haar koffie het liefst drie dagen in de koelkast heeft staan voor ze eraan begint, zul je snappen waarom haar hulp bij deze gloeiendhete kop thee een beetje als water naar de zee dragen was. 

Artesanías Lagunillas

Met een paar slokdarmbrandwonden vervolgen we onze route naar de derde tussenstop van deze impromptu-trip: Artesanías Lagunillas. Handgemaakte bergmeren, klinkt de vertaling. Ik geloof nog eerder in vliegende varkens die vuurballen spugen. Maar zonder gekheid, we beseffen eens te meer dat dit ons laatste toeristische activiteitje in 53 dagen (!) Peru is en we beseffen dat we wel een kleine fout hebben gemaakt: de nachtbussen. Super chill voor het budget hoor, daar niet van, want je hebt je vervoer én een overnachting in één en bovendien zijn de afstanden in Peru lang, zeker omdat je door de bergen slingert. Maar nu, na de bus van Arequipa naar Cabanaconde door de fabelachtige, majestueuze Colca Canyon en na deze busrit, de bonustrip van Chivay naar Puno, beseffen we dat overdag tien uur in een Peruaanse bus (die doorgaans van uitstekende kwaliteit zijn) zitten, een activiteit op zich is. In de hele wereld hebben wij nog geen natuur gezien die zó mooi en indrukwekkend is als de Peruaanse. Wát een land. En daar mogen we bij deze afgelegen bergmeren die we helemaal voor onszelf hebben, nog één keertje van genieten.

Puno

Ten langen leste zijn we eindelijk in Puno. Drie bussen en een taxi heeft het ons gekost en dan is Puno nog maar een tussenstop. Voor ons dan. Voor veel andere reizigers en vakantiegangers is Puno gewoon een meerdaagse stop op de route. Puno ligt aan het Titicacameer en dat meer is héél bijzonder. Waarom dat zo is, gaan we je nog even niet vertellen, want morgen staat een busrit naar het Boliviaanse Copacabana op de planning. Copacabana ligt ook aan dat meer en de Peruaanse zijde schijnt nogal een tourist trap te zijn. Alle weetjes en feitjes voor de volgende kringverjaardag over het Titicacameer volgen dus in de eerste blog van Bolivia.

We checken nog één laatste keer in in Peru. We moeten naar de derde verdieping zeulen met onze volle backpacks – wat niet meevalt op 3800 meter hoogte. We draaien de sleutel in het slot van – jawel – kamer 301. Hoe krijg je het verzonnen! Drie keer op rij! 301 Moet wel ons geluksgetal zijn. We wandelen wat door het donkere Puno dat wegens haar toeristische allure ook na zonsondergang een levendige plek is, maar zo veel zien we nou ook weer niet. Het is laat, we hebben honger, zijn moe en willen naar bed. De bus die ons naar de grens brengt vertrekt al vroeg in de ochtend om half 8.

Het afscheid van Peru

Nacht 53. Dag 54. 54 Dagen in Peru. Wat is dit uit de hand gelopen! Je zou zeggen, dan hebben we ook alles gezien, maar niets is minder waar. Als wij drie landen zouden opnoemen waar we absoluut nog ooit terug zouden gaan, dan zit Peru daar zonder enige twijfel bij. We hebben nog lang niet alles gezien. Het enigmatische noorden hebben we buiten Huanchaco en Huaraz nog totaal niet ontdekt en ook het zuiden houdt met plekken als Nazca nog genoeg verborgen geheimen. En dan zijn we nog niet eens in de jungle geweest. Bovendien: dit land is ongekend. On-ge-kend. Zó mooi. Onevenaarbaar, denken we. En als we terugkomen, dan huren we een auto. Peru is prachtig om als backpacker te verkennen, maar oh, die natuur. Als je hier een auto huurt, dan wrijf je als een kwade professor in je handen van geluk. Dus doe dat. Huur een auto. Ga zelf rijden, maar wees voorzichtig en rijd jezelf niet ergens van de weg af omdat je wegdroomt bij de onwerkelijke natuur van Peru. Vind je dat toch te spannend? Geen probleem, het is hier allemaal zo goed geregeld qua vervoer, dat dat ook wel goedkomt! Het is om en nabij 10 uur als we uit te bus stappen, de stempel bij de grensovergang laten zetten en Bolivia, het vierde land van deze reis, betreden. Maar we komen hier ooit terug. Dat weten we zeker. Zelfs zonder die drie hotelkamers ben ik ervan overtuigd dat we 301 redenen kunnen noemen om ooit nog terug te komen in Peru. Al die locaties. De afwisseling, die zo kenmerkend is voor ieder Zuid-Amerikaans land. De keuken die heel slinks onze top drie is binnengewandeld. De mensen. Na bijna twee maanden nemen we afscheid van Peru, – durven we het te zeggen? - het mooiste land waar we ooit geweest zijn.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.