Eigenlijk klopt het niet dat we de Inca’s de Inca’s noemen. Inca betekent namelijk iets als ‘heerser’ of ‘edelman’. Als je vroeger het woord ‘Inca’ gebruikte, dan doel je eigenlijk op de adel van de bevolking die we nu kennen als de Inca’s. Maar maak je niet druk, nu is het gewoon niet anders: met het woord inca, kun je nu verwijzen naar de gehele bevolking. Niemand die je kop er daarvoor afhakt.
Het manco van Manco
Als ik je met die kennis voorstel aan Manco Inca Yupanqui, dan weet je dat ik dus over een hoge pief uit het Incarijk aan het praten ben. Een kornuit die behoorlijk wat voor het zeggen had. In onze roadtrip door de Heilige Vallei, El Valle Sagrado, wordt het al vrij snel duidelijk dat onze Manco een sleutelrol speelde. Dé hoofdrolspeler in het verzet tegen de Spaanse invasie. In 1534 werd Manco naar voren geschoven toen zijn broer Túpac Huallpa stierf. Op dat moment waren de Spanjaarden in de praktijk al de baas in Cusco. Als je nog geen hekel aan Spanje hebt na de verloren WK-finale van 2010, dan krijg je dat wel in een rondreis door Latijns-Amerika, want die gasten uit het Iberisch schiereiland waren bij vlagen nog duisterder dan de dood. Terug naar die meneer Inca Yupanqui: voor de Spanjaarden was Manco een pop, een marionet. In Cusco stalen de Spanjaarden goud uit Manco's tempels, maakten ze de Inca’s tot slaven en misbruikten en verkrachtten ze de vrouwen van adel, waaronder de vrouwen van Manco – meervoud, dus ja, weer lekker in de polyamorie in ’t oude Cusco. Manco pikte dat maar een jaartje. In 1535 was hij er klaar mee en vluchtte hij de Heilige Vallei in. En vandaag en morgen volgen we, compleet onbewust, het belangrijkste deel van Manco’s levensloop door de prachtige Valle Sagrado.
De roadtrip door de Sacred Valley
Met ons autootje dat Geertje gisterenavond geboekt heeft - een Toyota Agya, door Geertje tot ‘Zorro’ gedoopt – knallen we door het hectische verkeer van Cusco heen. Sociaal rijgedrag wordt in Peru keihard afgestraft. Geef je voorrang? Dan sta je de rest van de dag naar hetzelfde stuk asfalt te gapen. Ook zebrapaden bestaan puur ter decoratie en ‘rechts heeft voorrang’ is een bekend Peruaans sprookje. Het is een godswonder dat we zonder nieuwe krassen (Zorro heeft maar 42.000 kilometer op de teller, maar heeft littekens alsof-ie in een bad met vlijmscherpe zwaarden is gereden) de stad uit weten te rijden. Maar vanaf dat moment is het heerlijk cruisen: slingerend, dwars door de Peruaanse Andes, door de Heilige Vallei. Heilige Vallei, Sacred Valley, Valle Sagrado: ik zal ze alle drie gebruiken en ze zijn alle drie hetzelfde, maar dan telkens in een andere taal. Om de verwarring maar even te voorkomen. Maar goed: roadtrippen in een land met de mooiste natuur die we ooit hebben gezien, is toch wel een droom die uitkomt.
Het agrarische Chinchero
Onze eerste stop is na iets langer dan een uur rijden Chinchero. In Chinchero zijn een aantal Inca-ruïnes te vinden en onder de diverse soorten ruïnes zijn Inca-ruïnes toch wel onze favoriet geworden. Je weet al van de fenomenale bouwstijl, maar wat langzaam maar zeker ook aan het blijken is – zeker na Sacsayhuamán en Machu Picchu -, is dat Inca-ruïnes een patent hebben op een prachtige, schilderachtige ligging. En dat is met het magische Chinchero niet anders.
Chinchero was vroeger het koninklijk paleis voor de Inca-koning in Cusco. Als de koning zin had in een weekendje eropuit, maar te lui was om z’n lichaam helemaal naar Machu Picchu te slepen, dan bood Chinchero uitkomst. Verder was Chinchero van grote agrarische waarde: waterbeheer en het verbouwen van van alles en nog wat was in Chinchero prioriteit nummer één. Het is ook hier dat we voor het eerst onze Manco leren kennen. Na zijn vlucht uit Cusco, kwam hij als eerste door Chinchero. Wat-ie hier deed? Alles van waarde in de fik zetten! Klinkt stom, maar Chinchero ligt vrij open en was enorm moeilijk te verdedigen, dus ons Manco wist dat die Spanjaarden Chinchero met twee vingers in de neus zouden kunnen veroveren. Dan maar alles van waarde in de hens zetten, want dan kon die akelige hebzucht van de Spanjaarden in ieder geval niet gevoed worden.
Bij Chinchero zien we wat verkopers, die na onze ronde door de ruïne gevlucht zijn van de regen, maar zien we ook lama’s en alpacas!
Het stikt hier overigens weer van de lama's en de alpaca's. Zo zie je er in heel Peru geen en zo loopt het de spuigaten uit met die reuzenschapen. Volgens mij zien we steeds beter het verschil deze twee. De alpaca is fluffy en knuffelig, de lama niet. Van dichtbij vindt Geertje de alpaca leuk en lief, maar bij de wat noestere lama blijft ze op gepaste afstand. Ik daarentegen niet. Ondanks dat Geertje zegt dat ik beter kan oppassen omdat ze denkt dat die lama’s nog een keer gaan spugen. Ach, het is tot nu toe al die tijd goed gegaan. Spugende lama's zal wel een fabeltje zijn, toch?
Het begint zachtjes te regenen en bij de ingang van de ruïnes van Chinchero zijn plots alle straatverkopers verdwenen. Wat een mooi-weervoetballers, die Peruanen in Chinchero, zeg. Toch volgen we het advies en duiken we het naastgelegen museumpje in. En ja, zelfs Geertje gaat mee. Zou ze wéér ziek gaan worden?
De textielindustrie
Vandaag de dag staat Chinchero bekend als een dorp waarin de traditionele kleermakerskunst van groot belang is. We hebben de Quechua (= de verzamelnaam voor alle afstammelingen van pre-Columbiaanse beschavingen als de Chimú, de Wari en de Inca) al vaak genoeg zien rondlopen in hun prachtige traditionele kleding, maar als we binnenstappen bij Centro Textil, gaan we met eigen ogen zien hoe hier schapen- en alpacawol wordt gebruikt om de prachtige, kleurrijke klederdracht die vandaag de dag nog steeds volop gedragen wordt, te maken. Maar niet voordat we bij de ingang geconfronteerd worden met onze zonden: een kooi met drie schitterende, volle cavia’s. Ze kijken ons allemaal zo schattig en onschuldig aan dat onze harten breken, maar we worden ook herinnerd aan het diner van gisteravond. We hebben ons lot al geaccepteerd: wij zullen branden in de hel.
In het knusse binnenplaatsje zien we een stuk of zeven Quechua-vrouwen druk in de weer met hun heupweefgetouwen en garen in alle kleuren van de regenboog. Het is geweldig om te zien hoe Peru, zeker in de Andesgebieden, nog zo ongelofelijk traditioneel is. 25% van Peru spreekt nog Quechua - de taal die Pre-Columbiaanse beschavingen gebruikten en hun afstammelingen vandaag de dag gebruiken om met elkaar te communiceren en de de naam die door Decathlon als naam voor hun hike-huismerk wordt gebruikt. Het is geweldig authentiek om te zien hoeveel mensen er nog rondlopen in traditionele kledij van alpaca- of schapenwol. Dat is geen toneelstuk voor de toerist, overigens. We rijden deze roadtrip door de kleinste dorpjes waar toerisme niet bestaand is en ook daar loopt de bevolking veel en veel vaker wel dan niet in traditionele kledij over straat. Het is echt alsof we in een andere wereld zijn beland.
We krijgen natuurlijk ook een rondleidinkje cadeau. Cadeau, ja: betalen hoeven we niet. Blijkbaar zijn er HEEL VEEL dingen die wij nooit wisten over kleding maken van wol. We vonden zo’n bol garen er altijd heel synthetisch en artificieel uitzien. Want ja: als je wol van een schaap scheert, dan is dat echt wel een heel erg ander ding dan zo’n bol garen, toch? Nou, Quecha-gids Flor wast eerst de wol (alpaca’s en schapen douchen nooit) en pakt er daarna een spintol bij om voor eens en voor altijd af te rekenen met de gedachte die wij hadden over wol en garen: alsof Hans Klok voor ons staat te goochelen, verandert de wol met die spintol opeens in garen!
Misschien denk je nu ‘jeetje, die twee zijn nog te dom om te poepen’, maar dit wisten wij dus echt niet. Iedereen heeft recht op een lijstje van 7 à 8 dingen die compleet logisch en voor de hand liggend zijn, maar die ze niet weten. Wij dus ook! En dan die kleuren. Ook dat is puur natuur. In een potje wordt een mengseltje aan de kook gebracht en dat mengseltje bevat altijd een plant, vrucht of gewas uit de Andes. Voor goudgeel worden bijvoorbeeld golden berries vermengd en voor paars wordt paarse maïs (die maïs die de basis vormt voor dat Peruaanse drankje Chicha Morada) gebruikt. Voor één kleur wordt zelfs een cactusparasiet gebruikt. Parasiet. Wij snel een stapje achteruit. Als het brouwsel kookt, mikken ze een hoop garen in de pan en ta-da! De kleur vermengt permanent met het garen! Zo leren we nog eens wat!
Vervolgens nemen we een kijkje bij een van Flors collega’s die lekker in de weer is met zo’n artistiek heupweefgetouw en van allerlei verschillende kleuren een tafelkleed aan het breien is met al die kleine motiefjes die we de afgelopen weken in de Peruaanse weefkunst hebben leren kennen. Arbeidsintensieve projectjes zijn het hoor, die wollen kunst van ze. Een tafelkleed is een maand lang zes uur per dag werken. Met lege handen kunnen we Flor en haar Centro Textil dus niet verlaten, dus voor 250 soles (ongeveer 62 euro omgerekend) tik ik een trui volledig van alpacawol op de kop en is Geertje een alpacawollen portemonneetje rijker. Een spotprijsje: truien van alpacawol vliegen doorgaans voor een eurootje of 100 over de toonbank. Na ons uitje na de H&M kunnen we nu toch wel zeggen dat de kledingkast echt volledig aangevuld is.
Laguna Huaypo
Dan brengt Zorro ons naar een prachtig pauzeplekje. Midden in die immense Heilige Vallei ligt Laguna Huaypo. Bij het woord Laguna gaan er onmiddellijk flashbacks naar natuurparadijs Huaraz en hoewel de bergmeren in Huaraz van een andere orde zijn, is Laguna Huaypo ondanks het verslechterende weer van vandaag ook een leuk plaatje. Ideaal om in het plaatselijke café even een koffie met melk te drinken. En da’s geen cappuccino. Da’s een koffie met melk. En dus echt heel veel melk. Het is eerder melk met koffie. Met een kopje dat van kleur verandert als-ie kouder wordt. Het is bijna alsof we rechtstreeks uit een verwarmde uier drinken terwijl we af en toe een druppeltje cafeïne in onze monden laten vallen. Geen aanrader, die koffie met melk. Bestel maar gewoon een cappuccino.
Geertje neemt de regie van Zorro vandaag voor het eerst over en we wijzigen meteen de route. Het wolkendek is grijs. We zijn blij geen scooter te hebben gehuurd - het aanvankelijke plan, totdat we tot de meesterlijke conclusie kwamen dat we gewoon al onze zooi in de achterbak konden mieteren, want aan de heel aannemelijke kans dat er in de Heilige Vallei wel eens een druppeltje regen zou kunnen vallen, hebben we geen enkele keer gedacht. Ondanks dat we droog blijven, is het weer toch de reden van de routewijziging. We hebben Dronie ook weer meegenomen en hoewel de regels wat betreft drones doen vermoeden dat je weer bij die hele strenge groep-4-juf in de klas zit, zijn er in de Heilige Vallei toch een paar plekken waar Dronie wel even z’n vleugels mag strekken. In tegenstelling tot Geertje, houdt Dronie niet van de regen en kunnen we alleen vliegen wanneer God niet staat te pissen. Op naar Ollantaytambo, beslist Geertje.
de onneembare vesting Ollantaytambo
De weg naar Ollantaytambo is afgesloten, dus we moeten omrijden. Wanneer we over een smal zandpad rijden dat als randweg van een dorpje fungeert en de tegenliggers vrachtwagens worden die maar nauwelijks op de breedte van de weg passen, wordt het Geertje te heet onder de voeten en neem ik het stuur weer in handen. Maar goed ook: eenmaal in Ollantaytambo is het verkeer als de botsauto’s op de kermis, maar dan met tourbusjes en auto’s in de oude, prachtige, maar enorm krappe straten. Het is een priegelwerkje om hier schadevrij doorheen te navigeren.
Uiteraard lukt dat en dan zetten we wandelend koers naar de ruïnes van Ollantaytambo. Gelukkig is dat ver uit de buurt van dat helse treinstation waar alles wat verschrikkelijk is aan overtoerisme in één grote, smerige cocktail bij elkaar komt. Nee, we lopen de andere kant op. Door weliswaar heel toeristische, maar toch vooral heel erg mooie straatjes waar Quechua op de grond kleren aan het weven zijn en waar prachtige, geelbruine huisjes de mooiste restaurantjes tentoonstellen. Ook de overdekte markt is een heel erg leuke, alleen niet gemaakt voor Europese reuzen van 1.91 meter. Als ik hier even niet oplet, word ik door zo’n vlaggenkoord onthoofd.
Kijk, qua ruïnes gaat Machu Picchu natuurlijk niet overtroffen worden, maar Ollantaytambo staat voor nu nog wel op plek twee. Prachtige terrassen klimmen tegen een bergwand op en boven op de berg die we beklimmen zijn de ruïnes van militaire barakken en tempels te vinden. Het speciale aan deze ruïnes is dat de Wari’s (ken je ze nog van Huaca Pucllana in Lima?) hier al zaten vóór de Inca’s en warempel: vredelievend als die Inca’s waren, sloopten ze de ruïnes van de Wari’s niet, maar bouwden ze erop voort. Wat fijn, die gemoedelijkheid.
De terugkeer van Manco
En wie komt daar opeens om de hoek kijken? Jawel, Manco Inca Yupanqui! Onze grote vriend is er weer! Manco vluchtte dus uit Cusco, verbrandde waardevolle spullen in Chinchero, maar z’n eindbestemming was Ollantaytambo. Manco was niet van gisteren: hij wist ook wel dat de ligging op een berg én de militaire stootkracht van het fort ervoor zorgde dat Ollantaytambo best wel veilig was. Kijk maar eens op de foto hiernaast/hieronder: hier kijken we van de zijkant naar de terrassen en de Spanjaarden zouden van beneden moeten komen als ze Manco te grazen wilde nemen, want aan de andere kanten is de berg te steil om te beklimmen. Maar klim die terrassen maar eens op. Die Inca-soldaten konden van boven in het wilde weg pijl-en-boogschieten en zelf relatief veilig blijven. Slim bedacht van Manco, maar later besloot Manco een opstand te beginnen tegen de Spanjaarden vanuit de nabijgelegen jungle. Hij verliet Ollantaytambo en vond alsnog de Spaanse dood. Niet te overmoedig worden, dus. Manco, Manco, Manco toch.
El Templo del Sol en de vooroordelen over de lama
Het indrukwekkendste van de ruïnes is wat ons betreft El Templo del Sol. Bovenop de berg staat een tempel die nooit is afgemaakt (Spaanse invasie, fenkjoeverriemuts). Klinkt niet zo boeiend, maar een deel is wel gebouwd en het deel dat wél staat, bestaat uit zes enorme, bruin-roze monolieten die, zoals we het intussen van de Inca’s kennen, op onbekende, mysterieuze wijze, perfect uitgesneden zijn en in elkaar passen als puzzelstukjes. Ieder blok weegt plusminus 40 ton. VEERTIG TON. Waarvan ze afkomstig zijn? Een steengroeve 4 kilometer verderop. Die dekselse Inca’s hebben het dus voor elkaar weten te boksen om zes monolieten van 40 ton ZONDER wagens (nooit wielen uitgevonden, weet je nog?) vier kilometer te verschuiven en hier een tering steile berg op te sjouwen. HOE DAN!? Breek mij maar de klomp.
Eenmaal beneden treffen we weer lama’s en alpaca’s aan. Dat lama’s spugen, achtte ik intussen een fabeltje, maar Geertje bleef er schrik voor hebben en ze had me al eerder gewaarschuwd. Tja, weet je; bij Chinchero, de Rainbow Mountain, in de stad Cusco en bij Machu Picchu hebben we intussen al tig lama’s gezien en er is er nog geen één geweest die een poginkje Rijkaard-Völler heeft gewaagd. Fabeltje dus. Ik ga dus maar even een lamaatje aaien. Zo duf en dom als ze altijd kijken, kan ik het toch niet laten. En dan… KLATS! Een volle, orale one-hundred-and-eighty in m’n gezicht! Spugende lama's? Feit! Geen fabel!
Na spugende lama’s definitief uit de Fabeltjeskrant gehaald te hebben, zetten we na een biertje op het terras koers naar Urubamba, een dorpje genoemd naar de gelijknamige rivier die langs het spoor van Ollantaytambo naar Aguas Calientes en Machu Picchu stroomt. In Urubamba gaan we overnachten. In ons hotel gaan we ook eten, want het plan om in het pittoreske dorpscentrumpje te dineren, valt in het water door een verkeersinfarct van ongekende proporties. Weet je nog dat die toegangsweg tot Ollantaytambo was afgesloten? Nou, ook op de terugweg kachelen we weer over dat smalle zandpad waar twee auto’s nauwelijks naast elkaar passen. Als er een enorme vrachtwagen ook besluit om deze weg te nemen, zijn de rapen gaar. Het verkeer staat COMPLEET vast en niemand kan een kant op. Het is inmiddels donker en we staan bijna een halfuur op dezelfde plek, wanneer er iets prachtigs gebeurt: een paar Peruaanse chauffeurs stappen uit de auto en nemen de touwtjes in handen. De hele slurf aan auto’s en tourbusjes wordt als een accordeon door deze drie caballero’s naar achteren gedirigeerd en de file die inmiddels zeker een kilometer lang is, schuift gestaag als een geoliede machine naar achter. Opeens is er ruimte en die unit van een vrachtwagen kan er langs. "Buen trabajo, amigos!" Wat kan de mensheid soms toch mooi zijn.
Typisch Peruaans in Urubamba
Des te lekkerder smaakt de Peruaanse keuken – och, wat gaan we die toch missen als we straks de grens overgaan – waar we ’s avonds laat in Urubamba van mogen genieten. We delen een lomo saltado – biefstuklapjes met Peruaanse gele chilipeper (ají amarillo) – en een ají de gallina – lichte, pittige kipstoofpot in gele pepersaus. Alsof André Rieu een orkest dirigeert in je mond.
Latijns-Amerikaanser dan het centrum van Urubamba – waar we ’s ochtends toch nog even naar toe gaan - ga je het niet krijgen: krappe, eenrichtingsstraatjes, een vierkant gritpatroon van straten en in het midden een Plaza de Armas met een schitterend, schilderachtig, koloniaal kerkje. Dat is geen belediging, want dit soort dorpjes zijn superleuk. Wat ook leuk is, is dat we onwetend getuige zijn van een desfile cívico, een parade van marcherende studenten. Ik zei het al: traditie is nog enorm belangrijk in Peru en zo’n desfile cívico is een mars van (vaak) jongvolwassenen of kinderen die op jonge leeftijd leren hoe er in hun cultuur altijd bij feestelijkheden en tradities gemarcheerd werd. Een viering van trots en identiteit. En al helemaal hier in El Valle Sagrado, de plek waar cultuur en traditie – gevoelsmatig – op iedere hoek van de straat nog te zien en te voelen is. We vinden het bijzonder en prachtig dat tradities en cultuur nog zo erg geëerd worden en belangrijk gevonden worden hier in Peru. Kunnen we als Nederlanders nog een voorbeeld aan nemen, waar we altijd spottend lachen om de klederkracht en de gebruiken die bijvoorbeeld nog in Staphorst gehanteerd worden. Eigenlijk een fantastische uiting van onze cultuur, maar ja, je zou als Nederlander maar eens je kop boven het maïsveld uitsteken of niet in de pas lopen; dan word je meteen een kopje kleiner gemaakt.
De Heilige Vallei is waarlijk één grote viering van de Peruaanse cultuur. Plekken als Ollantaytambo zijn weliswaar super toeristisch, maar zeker in andere plaatsjes is de authenticiteit enorm voelbaar en je ziet aan alles en iedereen dat tradities en cultuur in Peru – en dus vooral in die Sacred Valley – echte topprioriteiten zijn en dat heeft mede te maken met de trots die de Peruanen voelen voor hun voorouders, voor de Inca’s die deze Vallei hebben gevormd tot hoe die nu is. Nog zo’n plek die enorm belangrijk was voor de Inca’s, was Moray, de derde en laatste ruïne die we in de Heilige Vallei bezoeken.
Moray, het proefkonijn van de inca's
Moray was geen dorp. Hier woonde niemand. Moray was ook geen militair fort of zo. Het was zelfs geen heilige plaats of tempel, in tegenstelling tot bijna alles wat die Inca’s bouwden (serieus, de Inca’s nemen hun godsdienst en spiritualiteit bloedserieus gezien de dichtheid aan tempels en ceremoniële plaatsen in zowat alle ruïnes). In Moray werd slechts gewerkt, want Moray was een soort agrarisch experimenteercentrum. Een Inca-laboratorium als het ware. En nog eentje met een goed gevoel voor esthetiek ook.
Voor ons ontvouwen zich de grootste Inca-terrassen die we tot nu toe gezien hebben, maar het grote verschil is dat deze cirkelvormig zijn. Het uitzicht is immens mooi, maar daar gaat het niet om: ieder terras is lager gelegen dan de ander en de kom-vormen die je in Moray ziet, zijn een toonbeeld van het bizarre intellect waar die Inca’s over beschikten. Hoe het precies werkt, is ons een raadsel, maar neem dit dus maar van me aan: ieder terras vormt een eigen microklimaat. Op goede dagen is er van boven tot onder een temperatuurverschil van 15 (!) graden meetbaar! Ongelofelijk. Moray werd door die Inca’s dus gebruikt om te experimenteren: welke gewassen groeien op welke hoogte en op welke temperatuur? Oftewel: Moray is het laboratorium waarvan de resultaten in de Heilige Vallei geïmplementeerd werden. Daarom heet de Heilige Vallei ook de Heilige Vallei, by the way. De grond hier is zo vruchtbaar als een konijn in de lente, dus het was niet gek dat een groot deel van de Inca-bevolking zich in deze vallei concentreerde.
Als we de wandeling naar beneden lopen, krijgen we een beeld van Moray dat weer heel anders is. Van dichtbij zien we de verschillende hoogtes, de verschillende terrassen en de piedras flotadas, de ‘zwevende’ trappen die de Inca’s gebruikten om van het ene naar het andere terras te klimmen. En krijg toch gauw tieten: waar we boven nog met de jassen aan stonden, staan we beneden te zweten en gaan de jassen uit! Dat miraculeuze klimaatsysteem dat hier bedacht is, werkt dus echt!
Peruaanse Ardennen
Het ritje naar de volgende stop Maras is kort, maar wel de mooiste route van de hele roadtrip. De Sacred Valley biedt wéér natuurschoon zoals we dat nog niet eerder gezien hebben. Glooiende heuvels (ja, nu we in heuvelachtig gebied rijden kunnen we wel stellen dat een berglandschap héél anders is dan een heuvellandschap) en afgelegen, pittoreske boerderijtjes. Als je de enorme bergen van de Andes die in de verte aan alle kanten de Heilige Vallei insluiten niet mee zou tellen, dan zou je je in de Ardennen of in Toscane wanen. Idyllisch. Perfect plekje om Dronie even z’n propellers te laten strekken. Ja, de regels die hier gelden zijn onwijs streng (niet boven archeologische plekken, niet boven vee, niet boven dorpen, huizen of andere vormen van privéterrein), maar dit stuk vinkt geen van al die beperkingen af. Dronie blij, wij blij.
Salineras de Maras
Maras is ook weer een hoogtepuntje in een roadtrip van louter hoogtepunten. Salineras de Maras verraadt de functie al een beetje: bij het ontstaan van de Andes (twee tektonische platen die botsautootje speelden, Grote Oceaan vs. Zuid-Amerika, Zuid-Amerika wint en stijgt, dus daar heb je de Andes) kwam een stuk zee droog te liggen tussen twee bergen in de Heilige Vallei. Duizenden jaren lang is die zee verdampt en verdampt en nog een keer verdampt, tot er geen waterdruppel meer over was. Maar ja, zeewater is wel zout natuurlijk, dus wat blijft er over? Zoutterrassen voor de zoutwinning! Nog nooit in onze levens gezien, die zoutterrassen (en wie een beetje weet wat er in Bolivia en Noord-Argentinië te zien is, weet dat dit nog mijlenver van het hoogtepunt is), maar ze zijn wel adembenemend mooi om te bekijken!
Ons museumkaartje geldt niet voor Maras, want Maras is geen archeologische hotspot, dus voor 15 soles per persoon kopen we een kaartje en biedt een local een rondleiding aan. Daar zeggen we geen nee tegen en José loopt voor ons uit. Er zijn zo’n 3000 zoutterrassen in Maras te vinden en die worden over zo’n 450 families verdeeld. De ene familie heeft er dus wat meer dan de ander. José komt uit Cusco maar heeft z’n bruid goed uitgekozen, want z’n schoonouders hadden vier zoutterrassen en die zijn nu van hem. Wie weet neem ik dus ooit nog het hoveniersbedrijf van m’n schoonvader over. Er wordt wat af gewonnen, daar in Maras: 200 ton zout per jaar! Goeie genade. Da’s 150 kilo per terras, per maand!
Op dit moment is het rustig. Het regenseizoen is net ten einde, dus de terrassen worden voorbereid op de oogst. In de verte zien we een paar kerels met een of andere stok op de grond rammen. “Zodat het zout niet wegzakt als de terrassen straks vollopen”, vertelt José ons. Want zo gaat het hier: via creatieve irrigatiesystemen laat men de terrassen met water vollopen, met water dat het zout dat hier in de grond zit, meeneemt. Als zo’n terras dan vol zit, dan laten ze het liggen. Het water verdampt, het zout blijft liggen. Dat doen ze dan een keer of tien en dan is het laagje te oogsten zout zo’n tien centimeter dik. En zo krijg jij je zoutige frietje oorlog op zondagavond. We geven onze gids zijn vrijwillige fooi en kopen een pure zeezoutchocoladereep voor morgenavond, gemaakt in de zoutvlaktes van hier. En een Inca-colaatje voor onderweg, het frisdrankje waar de Peruanen verzot op zijn wat totaal niet de vergelijken is met welke frisdrank ooit dan ook.
Hippiehaven Písac
Met een chocoladereep van Maraszout en een Inca-kolaatje voor onderweg - het frisdrankje waar de Peruanen verzot op zijn wat totaal niet de vergelijken is met welke frisdrank dan ook - op zak, zetten we koers naar de laatste stop van onze roadtrip: Písac. Het is een lange route, die naar Písac, en wel over een weg die vol zit met kraters. Alsof Geertje op een doorsnee Belgische weg aan het rijden is. De beloning van Písac mag er overigens wel zijn: Písac is het mooiste dorpje van Peru. Mag gezegd worden. Dat vinden de hippies trouwens ook, want na twintig stappen in het centrum is het al duidelijk dat mensen met weide, kapotte kleren en ongewassen haren Písac goed weten te vinden. Na een vlug onderzoek blijkt dat er een energetisch knooppunt hier in Písac blijkt te liggen. Geloven wij natuurlijk vrij weinig van, maar geef de hippies eens ongelijk om dit prachtige dorp tot energetisch knooppunt te bombarderen.
Písac is namelijk idyllisch. Het dorpje ligt aan de rand van El Valle Sagrado tegen de helling van een enorm steile berg aan. Het Plaza de Armas van Písac is met vele balkonnetjes op de tweede verdieping een van de mooiste in Peru en het dorp ademt cultuur en traditie. Naast de Quechua-vrouwen die met hun heupweefgetouwen de mooiste kleedjes breien en de mannen die serene panfluitmuziek spelen, staat Písac ook bekend om hun edelsmeedkunst. Het is al laat, dus tijd voor een workshopje hebben we niet meer, maar op de handwerkmarkt Mercado Artesanal, krijg ik nog wel een ketting met een groene edelsteen van Geertje. En weet je waar die voor staat?Ook zo'n energetisch knooppunt? Nee, maar zweverig is het wel. Mijn armbandje staat voor welvaart en gezondheid. Lief hè!? Die was ze me nog verschuldigd na haar terrasjesbingoverlies in Medellín (een schuld van meer dan twee maanden geleden dus). Ik koop ook nog een Peruaans voetbalshirt dat ik al vanaf dag één op het oog heb. Markten in Peru zijn onze favoriete marktjes van de wereld. De meest kleurrijke, handgemaakte producten vind je hier overal en het streetfood is ook om je vingers bij af te likken. We dachten in Lima al de koning te rijk te zijn met de knusse Inca-market, maar daarna is dankzij de marktjes in bijvoorbeeld Aguas Calientes, Ollantaytambo en nu hier in Písac wel gebleken dat de Peruanen hun marktjes tot kunst verheven hebben.
We sluiten onze roadtrip af met een heerlijke IPA en een trigo op een van die mooie terrasjes aan het Plaza de Armas van Písac, waarna we op Mirador Taray Dronie nog een keer omhoog laten gaan, alvorens ik Zorro met driekwartier vertraging (Peruanen vergeten steevast een berichtje aan Google Maps te sturen over wegblokkades) weer schadevrij bij de autoverhuurder in. Hoewel we zin hadden in een Nikkei-restaurant, zijn we genoodzaakt om er te reserveren voor onze laatste dag in Cusco. Na een halfuur wachten besluit de ober - het is inmiddels half negen en onze magen zijn zo leeg als de bovenkamer van een lama – dat er toch geen plek is, dus nemen we genoegen met een burgertent. Wel een burger die in de top drie komt van burgers (inclusief zout uit Maras, de cirkel is rond) die we gedurende deze reis gegeten hebben. En burgers zijn een staple van ons reisdieet, dus dat zegt wel wat.
De dag erna nemen we een rustdag. Niet omdat we eraan toe zijn, maar omdat het kan en omdat het misschien wel nodig gaat zijn. We zijn alweer maar dan twee weken in Cusco. Peru is door mijn parasietje qua tijd enorm uitgelopen, maar we hebben nog wel een bucketlist die we willen afwerken. Om die reden gaan we na Cusco ook flink knallen. Maar goed, op vrijdag de 25e staat nog die herhalingsafspraak met de MDL-arts gepland en omdat er de komende tijd niet zo heel veel rustdagen gaan zijn, gaan we er uit voorzorg toch maar eentje inplannen. ’s Ochtends doe ik een koffietje en Geertje de boodschappen, maar na elven komen we alleen nog maar buiten de deur om de kebabrollen en de sushi die we besteld hebben bij de voordeur op te halen. Eraan toe waren we nog niet, maar lekker was deze extreem luie dag natuurlijk wel!
Vrijdag de 25e. Wanneer we uitchecken en aanschuiven bij het prachtige terrasje van El Duende in de wijk San Blas met uitzicht over de stad, hopen we dat vrijdag de 25e niet de rol van vrijdag de 13e gaat overnemen. Vandaag is namelijk de uitslag van die uitgebreide bloed- en stoeltest van afgelopen maandag en hoewel we enorm van het prachtige, gezellige Cusco en haar schitterende, diverse, magnifieke omgeving genoten hebben, kunnen we vanavond bij goed nieuws ein-de-lijk doorreizen na tweeënhalve week. Maar de afspraak is pas vier uur in de middag, dus na een koffientje en een ochtendbiertje, gaan we een derde poging wagen om die AI-walking tour af te maken. De lucht is blauw en het zonnetje schijnt. Een goede voorbode dus.
De finale van de Ai-Walking-tour-trilogie
San Blas
Maar zo heel spannend wordt dat wandelingetje niet meer. Ik bedoel, na tweeënhalve week Cusco denken we de stad als onze broekzak te kennen en we hebben al drie verschillende appartementen in San Blas gehad, dus verrassingen zijn er voor ons bijna niet meer te vinden. Voor Geertje nog iets meer, want dat aquaduct dat ik bezocht voordat ik met Mohsin naar Sacsayhuamán ging, had zij nog niet gezien. Evenals El Calle de los Siete Borreguitos, de straat van de zeven geitjes, door ieder online platform verblijd met de titel iNstAgRAmMaBLe! Kunnen we lacherig over doen, maar dat vraagt wel om een paar kiekjes, evenals het uitzicht dat we hebben vanaf het prachtige Mirador de Sán Cristobal.
Nog één keer bitterballen
We zijn halverwege de middag als we weer afdalen naar het centrum en we nog één laatste keer aanschuiven bij Massimo Café om een bitterballetje en een biertje weg te werken (wanneer bitterballen voorhanden zijn, dien je ze te koesteren), alvorens we nog één langverwachte stop te maken hebben.
Jawel: de kapper! Geertje zal deze reis haar haren tot haar knieholtes (dat is nog steeds niet heel lang) laten groeien, maar ik moet er na bijna vier maanden reizen toch maar een keer aan geloven: de pruik gaat eraf! Mijn idee is om er maar een beetje af te laten halen, maar mijn verleden met Zuid-Amerikaanse kappers wijst uit dat ik maar beter niet zo naïef kan zijn. Waar in 2017 de Surinaamse kapper mijn boodschap van ‘een beetje eraf’ vertaalde naar het kortwieken met een machete waarna ik een gemillimeterd militairenkapsel had waarmee ik zo het vliegtuig in kon om meegezonden te worden naar Afghanistan, blijkt ook mijn twee Zuid-Amerikaanse kapper er een te zijn die knipt volgens het credo ‘liever te veel dan te weinig’. Tot Geertjes plezier stap ik 40 minuten later uit de stoel met een kapsel dat wel héél veel korter is dan ik gehoopt had, maar ach, lelijk is het nou ook weer niet. Nou hoef ik de rest van de reis in ieder geval níét meer naar de kapper. Scheelt toch weer een eurootje of zeven per knipbeurt hé?
Dat kapsel blijkt even later wel symbool te staan voor mijn hoogstpersoonlijke wederopstanding! Na het kappersbezoekje vertrekken we meteen naar het ziekenhuis voor die allesbepalende uitslag. En wat blijkt? Giardia is foetsie! 13 maart 2026 begon de ellende. Nu, bijna anderhalve maand later, is het dan eindelijk voorbij. Het heeft zó lang geduurd dat ik zelfs nu nog altijd geen vertrouwen heb en in m’n hoofd over twee nachtjes slapen weer aan de dunne zit ergens op de volgende locatie. Maar dat zegt mijn hoofd. De feiten wijzen iets anders uit. Wel zijn mijn darmen nog heel erg zwak en vatbaar voor van alles. Nog twee weken goed op het eten letten en veel elektrolytes en priobiotica ten behoeve van de darmflora innemen. Maar het einde is in zicht.
Na een heerlijke feestmaaltijd bij de Indiër is het na tweeënhalve week in Cusco eindelijk tijd om door te reizen. Eindelijk. Cusco is mooi, Cusco is magisch, maar bij momenten is de schoonheid van de stad ook het decor geweest van een figuurlijke gevangenis. Een gevangenis waar we nu eindelijk uit zijn. En van het feit dat we grotendeels zorgenvrij weer in een bus kunnen stappen, hebben we nog nooit zo erg genoten als nu.
Reactie plaatsen
Reacties