Een nieuwe wereld
We landen op Port Vila. Je moet in staat zijn om hier in deze hoofdstad 56.000 neuzen te tellen die eigenaar zijn van het paspoort van Vanuatu. Met nog anderhalve week op de reiskalender, lijkt de reis volledig opnieuw te beginnen. Het is een compleet andere wereld waar we ons in bevinden en alles in Vanuatu is anders van A tot Z. Zodra we door het pittoreske vliegveldje lopen waar we uit de vliegkist gestapt zijn en onze bagage van de kleinste bagageband sinds mensenheugenis gepakt hebben, worden we al toegezwaaid door nieuwsgierige Ni-Vanuatu.
Er staat een busje buiten. We hebben helemaal niks geregeld om bij onze accommodatie in Port Vila te komen en we staan maar een beetje verdwaasd te kijken op dat minivliegveld hiero, dus spreken we de chauffeur van de van aan die zit te wachten op niemand. Nou, nu op ons dus, want als we ‘m vragen of hij ons naar ons hostel kan brengen, krijgen we 'ja' als antwoord. Even later zitten we in de van en komen er nog drie Ni-Vanuatu bijzitten: twee mannen en het intens vrolijke dochtertje van een jaar of twee van één van die twee mannen. Je hebt me nu al twee keer ‘Ni-Vanuatu’ zien schrijven. Zoals je iemand uit Nederland een Nederlander noemt, zo noem je iemand uit Vanuatu een Ni-Vanuatu. Ik vind het eigenlijk maar een bloedirritant woord, maar het is nou eenmaal de meest gangbare. Niet de enige gangbare benaming: ik mag ook Vanuatuaan zeggen. Microsoft Word geeft mij geen belerend rood streepje, dus die ga ik vanaf nu inzetten.
Wat niet bloedirritant is, is de taalsituatie van Vanuatu. In alinea 3 is het al zover: kunstig fiets ik mijn eerste bizarre feitje over dit bijzonder boeiende en fascinerende land in de blog. Een feitje over de taal, dat ik vertel terwijl je kunt genieten van een paar bijzondere foto’s die het verhaal vertellen van Port Vila dat we zien tijdens het rustige ritje in het busje van de luchthaven naar onze accommodatie in Port Vila. Per hoofd van de bevolking is Vanuatu qua taal het meest diverse land ter wereld. 138 talen op 300.000 mensen verspreid over 83 eilanden. Op die 83 eilanden heb je natuurlijk veel stammen met hun eigen taal en er zijn zelfs genoeg stammen op één en hetzelfde eiland die niet met elkaar kunnen communiceren vanwege een taalbarrière. Bizar toch? Drie van die 138 talen zijn officieel. Engels (handig voor ons, er wordt dus overal vloeiend Engels gesproken), Frans en Bislama. En god, wat is dat Bislama een boeiende uitvinding.
De chauffeur en de kerel op de bijrijdersstoel zijn in gesprek en we kunnen er niks van volgen. Waarschijnlijk spreken ze Bislama met elkaar. Nu volgt er een lesje taalkunde. Als je geen zin hebt om na te denken: maakt niet uit. Gewoon doorlezen, want ik beloof je dat dit bijzonder fascinerend is, zelfs al ben je zo dyslectisch als een driekwart stoeptegel. Dat Bislama is een creooltaal die voortgekomen is uit een pidgintaal. Een pidgintaal is een taal die ontstaat wanneer twee mensen met een andere moedertaal met elkaar moeten communiceren. Gebeurde in de koloniale tijd ook veel: een slavendrijver moest met een slaaf communiceren en er ontstaat een taal die een mix is van die twee talen. Als die taal eenmaal voldoende wordt gebruikt (grofweg), dan wordt het een creooltaal. In het geval van Vanuatu is de taal Bislama ontstaan. Een versimpelde versie van Engels en inheemse talen, geboren uit het gegeven dat Engelssprekenden met sprekers van inheemse talen een biertje wilden drinken, zullen we maar zeggen.
Bislama is het diamantje dat daaruit voortgevloeid is. ‘Heel erg bedankt’ zeg je bijvoorbeeld zo: ‘tangkiu tumas’. Lijkt wel op ‘thank you very much’, hé? Nu snap je het principe een beetje. In Bislama is het woord ‘blong’ ook een lokale favoriet, want dat woord vind je overal terug. ‘Blong’ komt van het Engelse ‘belong’ en betekent zoiets als ‘van’, ‘voor’ of ‘behorend tot’. ‘Mijn naam is Johan’ vertaal je dus naar ‘nem blong mi Johan’ en een voetballer noem je een ‘man blong futbol’. Letterlijk ‘man van de voetbal’. Je kunt je voorstellen dat er een hoop ludieke namen in het Bislama te vinden zijn en dat klopt, maar er is één woord dat met kop en schouders boven de rest uitsteekt. Zie je in Vanuatu een helikopter vliegen? Dan zegt men gewoon ‘mixmaster blong Jesis Kraes’. De mixer van Jezus Christus. Een kleine kanttekening vertelt ons dat ‘helikopta’ ook een gangbare term is en dat mixmaster blong Jezus Christ wat minder vaak in de alledaagse taal voorkomt, maar toch: ik wil Bislama leren.
Vakantie!
We checken in en bestellen bier in ons hostel. De laatste keer voor dit moment dat we (buiten een half weekje in Noord-Chili) fijn in korte broek konden lopen was begin april en dat was in Huacachina, Peru, waar we afscheid namen van Geertjes moeder Anita. Het is zo bizar om na meer dan drie maanden (Arica en Iquique dus even niet meegeteld) eindelijk weer van de warmte te kunnen genieten. Het voelt even alsof we niet aan het reizen zijn, maar gewoon op vakantie zijn. En dat is ook wel even heerlijk. Met nog anderhalve week op de reiskalender hebben we zowaar een beetje vakantie. In ons Seaside Retreat zullen we die vakantie vandaag maar eens lekker gaan inluiden.
Maar na een lekker relaxte avond, heerlijk voedsel, vele potjes boerenbridge en na het oordeel geveld te hebben dat de lokale Tusker en Tusker Lemon heel goed in de smaak vallen, blijkt dat vakantie vieren op dag twee nog niet helemaal van de grond te komen. Het regent. Het regent eigenlijk de hele ochtend en als het af en toe droog is, is de lucht onheilspellend grijs. Kom op man, Vanuatu! Het is juli EN het is het droge seizoen! Tuurlijk, we zitten in de tropen, dus een stortbui die de dag verstoort hoort erbij, maar er horen hier geen druilerige Nederlandse herfstdagen te zijn waar je door de grijze lucht de zon hele dag niet ziet! Wat een treurnis, dus spenderen we de dag maar deels bij ons retreat. Ochtendbiertjes mogen vandaag niet ontbreken en dan maar met de matige wifi zo goed als mogelijk wat blogs online proberen te gooien (lukt niet van harte) en wat aan de Insta-pagina sleutelen. Dat is de ochtendvulling, tot we compleet onverwachts een wel heel bijzondere ontmoeting meemaken.
Twee tafels verder zit een Ni-Vanuatu van een paar iets te sterke cocktails te genieten, wanneer een Vanuatuaanse man verderop een opmerking maakt over mijn shirt. Of ik een kiwi ben, luidt de vraag. Het is natuurlijk een All Blacks-shirt. Even later schuift de man aan die zich voorstelt als Frederick S. Loughman. Interessante kerel is het wel, die zelfs een kaartje geeft met z’n gegevens erop, maar de man is ladderzat. Maar dan ook echt ladderzat. Op vrijdag waar de ochtend net is overgegaan in de middag. Waar eerst voetbal het onderwerp van gesprek is, begint Frederick daarna een autobiografie te oreren. Hij werkt onder de president zegt-ie. Dit is niet de eerste zatlap die in een soort psychose z’n eigen identiteit verwart met een ander, dus Geertje gaat naar de wc en neemt dat visitekaartje van ‘m mee. Op de wc gaat ze even op onderzoek uit naar deze meneer, puur om te kijken of dit kampvuurverhaal van ‘m ook maar enige waarheid kent. En wat blijkt: z’n hele verhaal klopt! We zitten hier met een stomdronken hoge pief van Vanuatu aan tafel!
Maar deze Frederick is dood- en doodongelukkig. We vragen op een gegeven moment een beetje door. Vandaag heeft-ie een vrije dag, maar z’n vrouw is van ‘m gescheiden en z’n drie kinderen ziet hij niet meer. Getrouwd met z’n werk en dat heeft ‘m z’n leven gekost wat hij nu op ieder moment dat hij niet werkt aan het wegdrinken is. En vandaag zijn wij de klaagmuur van Frederick.
Het is geen verkeerde man, maar zoals iedereen die ladderzat is, heb je het op een gegeven moment ook wel gehoord. Frederick blijkt ook een afspeellijstje van vijf-zes liedjes te zijn, want we hebben al z’n nummertjes van begin tot eind gehoord waarna hij ze allemaal opnieuw begint af te spelen zonder ook maar een seconde een helder moment van herinnering te krijgen dat-ie deze verhalen al eens verteld heeft. We wippen er dus tussenuit terwijl we z’n hand schudden en ‘m het beste wensen. Dat menen we, want het is toch wel treurig om hem er zo bij te zien zitten, maar wij willen ook nog wel wat van de stad zien. Wij gaan Port Vila in.
De hoofdstad Port Vila
Voor een land zo onbekend als Vanuatu zal het ook geen verrassing zijn als ik zeg dat Port Vila de hoofdstad is die het minst aanvoelt als een hoofdstad van alle hoofdsteden waar we ooit geweest zijn. Ik bedoel: iets meer dan 50.000 mensen die Port Vila ‘thuis’ noemen. Wat is dat nou? Niet veel, maar wat het wel is, is een andere wereld. Ik vind de lucht voelen als Zuidoost-Azië. Geertje vindt het ruiken naar zuidelijk Afrika. Waar we het er in ieder geval over eens zijn, is dat de eerste indruk die Vanuatu ons geeft, ons het meest de indruk doet geven dat we in Suriname zijn, want in Suriname voelt het ook af en toe alsof je op een eiland bent. In Suriname wordt niet gelopen, daar wordt geslenterd. In Suriname wordt niet gezucht, daar wordt gelachen. In Suriname kijkt men niet op de klok, daar kijkt men naar de menukaart. En dat is in Port Vila, Vanuatu ook zo. De eilandvibe spat hier van de muren en aan dat relaxte tempo waarmee men hier de dag vult kunnen we, zeker na Nieuw-Zeeland dat met zijn ‘haastcultuur’ toch wel wat meer op Nederland lijkt.
DE cultuur van Vanuatu
Tegelijkertijd is het hier ook heel primitief, ontdekken we als we onze wandeling beginnen. Misschien wel het primitiefste land waar we deze reis geweest zijn, Bolivia incluis. Vanuatu is een behoorlijk arm land. Kijk, die Vanuatuanen hebben het echt niet slecht hoor. Er is zelfs een bepaalde happy-index ergens waarbij Vanuatu op nummer twee van de hele wereld staat en ook qua gezondheidszorg zit het hier boven verwachting goed in elkaar, maar de gemiddelde Vanuatuaan heeft ook geen stuiver extra om voor de studie van het nageslacht te betalen, zeg maar. En dat zie je terug op straat. Is dat erg? Nee. Allesbehalve. Dat is juist alleen maar speciaal, want dat is waarvoor je reist. We hebben in Nieuw-Zeeland onze ogen uitgekeken en de prachtige natuur in ons opgenomen, maar een reis door een andere wereld was het niet, geen reis door een wereld waar alles gedaan wordt op een manier zoals je die niet kent. Na één dag is het duidelijk dat die reis de laatste anderhalve week nog wel gaat plaatsvinden. Vanuatu is namelijk in ieder opzicht een totaal andere wereld. Van de manier waarop de straten eruitzien tot de manier waarop de Melanesische bevolking eruitziet - weer héél anders dan de Polynesische Maori. Van de kleding die men draagt, waarin de kleurrijke jurken van de vrouwen hier vooral in het oog springen. Van de geur en van het gevoel dat de lucht op je huid geeft. De enige overeenkomst tussen Vanuatu en Nederland is vandaag de grijze lucht.
We komen in een winkelstraat. Gespecialiseerde zaken als een kledingwinkel bestaan hier niet. In Port Vila krijg je alles in één. Een stuk of vijftien copy-paste-zaakjes zijn tot aan de nok toe gevuld met alles. Souvenirs. Kleding. Handdoeken. Gereedschap. Speelgoed. Cosmetica. Hygiëneproducten. Noem het maar op. Opgestapeld tegen de muren, hangend aan de gevels en de plafonds: geen centimeter blijft onbenut om in deze winkels alles maar tentoon te stellen.
En pruiken. Na één dag kunnen we de conclusie trekken dat de Vanuatuanen een onverklaarbare obsessie hebben met pruiken. Iedere winkel heeft wel een pruikafdeling. Sta daar effe bij stil. Dat is toch bijzonder? Dat impliceert toch dat iedereen hier een pruik draagt? Nou, nog gekker: niemand draagt hier een pruik. Althans, dat denken we. Vanuatu heeft een Melanesische bevolking. Da’s een zwarte bevolking waarvan je op de een of andere manier in één oogopslag meteen ziet dat het geen Afrikanen zijn. De gezichten zijn heel anders en ze lijken (dat blijkt ook enigszins te kloppen) nog het meest op de Australische Aboriginals. Ze hebben ook kroeshaar. Of op z'n minst pikzwart haar. Er is geen één Vanuatuaan die hier rondloopt met een bloedrode pruik met een zilveren lok erin. Met onze monden vol tanden staan we naar al die pruiken te staren. Wie krijgt dat spul hier in godsnaam ooit verkocht?
En dan de vlaggen. Dit gaat even niet over de winkels, maar over het straatbeeld. Huizen worden versierd met vlaggen en zelfs voorop de auto’s wapperen vlaggen van landen die hier nog niet eens een beetje in de buurt liggen. Hier wappert een Argentijnse, daar waait een Duitse. Hier zien we een Engelse, even later zwiert er een Spaanse boven een huis. Daar zit weer een Franse voorop een auto en één blok verder wappert er een Braziliaanse in de wind. Op onze volgende locatie zullen we leren dat dit alles te maken heeft met het WK. In Oceanië is rugby doorgaans de sport naar keuze. Ook in eilandnaties als Fiji, Samoa en Tonga is het rugby dat de gemoederen onder de bevolking het meest bezighoudt. In Vanuatu heeft rugby geen terrein gewonnen, maar is het voetbal dat met de scepter zwaait. Alleen: het is Vanuatu. Vanuatu heeft natuurlijk geen competitie die meedingt om ’s werelds beste. In Vanuatu heeft de beste voetballer waarschijnlijk een bijbaan als postbode of loodgieter. In Vanuatu moet je de iets schimmigere kanalen vinden om een pot uit de Premier League of een wedstrijd van de Champions League te kunnen zien. Wat wel uitgezonden wordt, is het WK. Eens in de vier jaar wordt dit land dus knettergek omdat ze EIN-DE-LIJK fatsoenlijk voetbal op tv kunnen zien en omdat de kans dat Vanuatu zelfs met 48 teams meedoet aan het WK nog kleiner is dan dat je een ijsbeer ziet in de Sahara, kiest iedere Vanuatuaan een land dat ze supporten. En daar is men trots op. Anderhalve maand lang heeft iedere Vanuatuaan een andere nationaliteit. Kunnen ze hier dan helemaal niet voetballen? Oh, jawel. Als je ooit een pubquiz hebt en de vraag wordt voorgelegd welk land de grootste overwinning heeft behaald in officiële interlandwedstrijd, dan heb ik het antwoord voor je. Geen Frankrijk. Geen Brazilië. Geen Duitsland. Geen Spanje. Zelfs geen Nederland. Nee, onze nieuwe kameraden uit Vanuatu hebben een titel waar geen enkel topland ook maar enigszins aanspraak op maakt. Vanuatu – Micronesië. 46-0. Nu jij weer.
De markt die we oplopen, doet ook weer vermoeden dat we terug naar het jaar 1860 zijn gereisd. De vrouwen die op de grond zittend hun waren over tafels hebben uitgestald en het eten dat overal zichtbaar is, biedt een uniek en bijzonder plaatje. Geen stress, gewoon weer een dag zoals alle andere, maar dan met wat regen. Vanuatu is écht een andere wereld.
De waterkant
We hebben zin in bier. We hebben immers vakantie, hé? Bier drinken is dan simpelweg wat er moet gebeuren. We lopen langs een jeu-des-boulesbaan op waar de seniorenmannen van Port Vila een paar ballen naar de overkant gooien. Port Vila leeft buiten, Port Vila leeft op straat en het is geweldig om iedereen daar de hele dag te bekijken en te zien hoe het is om in zo’n voor ons onbekende uithoek op het einde van de wereld te leven. En als die mannen hier nog een interland willen spelen, dan moeten ze ’t maar vragen. Mijn opa staat paraat.
Na een bezoek aan de verrassend drukke, hectische supermarkt, eten we een doodsaaie zelfgemaakte salade die ons doet besluiten dat we in onze laatste dagen op reis niet meer zelf gaan koken, mede doordat we erachter komen dat Vanuatu een behoorlijk prijzig land is. Die avond gaan we op tijd naar bed om de volgende dag de stad die niet als stad voelt, nog meer te gaan ontdekken.
Als we opstaan, zijn we blij! De lucht is een kleurplaat van grijs, wit en blauw, maar het belangrijkste: het is droog! Vandaag voelt weer als een échte zomerdag en we staan vanzelfsprekend te popelen om de stad in te gaan. Of ja, de stad: ons oog is gevallen op een klein eilandje voor de kust waar we met een klein veerbootje naartoe kunnen. Het luistert naar de tongbreker Iririki Island en dat is de plek waar wij de hele dag gaan relaxen.
Iririki Island
Met een dagpas in de vorm van een roze, papieren festivalarmbandje in de gelederen, gaan we naar het strand aan de oostkust. Na maanden van winterzon is de zon die zo nu en dan achter de wolken verdwijnt er een die ons in no-time tot kreeft weet te transformeren. Het is lekker, maar de wind draait ook overuren vandaag. Een ritje op de kajak was mijn idee, maar na het zien van een koppel dat met het zweet op hun voorhoofd nog geen tien meter verder weet te peddelen, wordt dat idee door Geertje vakkundig afgewimpeld.
We zetten de Iririki-trip voort naar een zwembad dat op het zuidelijke puntje van het eiland ligt. Eten, bier drinken, zonnen en een spelletje spelen, luidt het devies, maar zwemmen en een drankje aan de bar in het water, laten we achterwege. Ons oordeel luidt dat het water hier net wat te koud is.
Dat is het niet aan de westkust van het eiland waarin we op de open zee van de Grote Oceaan uitkijken. Aan de westkust van het eiland is het snorkelstrand te vinden en het geluk wil dat deze kant windstil is doordat de heuvel die het eiland vormt de wind blokkeert! Snorkelen dus, maar als we de aanlegsteiger (bij gebrek aan een betere term) aflopen, staat daar een drietal Aussies dat in het water wijst: een zeeslang!!! Intimiderend, met zwart-witte ringen zwemt daar een meter onder ons een zeeslang door het water. En niet zomaar een. Het is een gebande zeeslang en het gif dat je in de tandjes van die glibberige rotzakken vindt, is nog tien keer dodelijker dan het gif van een cobra! De Australiërs komen met leuzen en kreten als “he’s more afraid of you, than you are of him”, “he probably won’t even be able to bite you” en “nobody’s ever died of a bite. I mean, a few maybe, but I’ve never seen it”. Het zijn Ozzies die ons dit advies geven en die breken thuis natuurlijk het brood met dodelijke spinnen, slangen, kwallen en haaien, dus voor een Nederlander waar de wesp doorgaans het grootste gevaar vormt, is dat advies er niet een die we heel serieus nemen. Althans, Geertje. Ik geloof ze op hun blauwe ogen en op hoop van zegen met de gedachte dat die zeeslang inderdaad wellicht wat banger is voor mij dan ik voor hem, spring ik met m’n snorkelsetje in het Vanuataanse water. En even later kom ik er ook levend en beetvrij weer uit. Gewoon lief zijn voor die slangetjes dus.
De laatste stop voor we terug naar het vasteland (in hoeverre je in een eilandstaatje van het vasteland kunt spreken) gaan, is de noordkust. We hebben oost, zuid en west al gedaan, dus op het kompas der windrichtingen rest ons nog een bestemming. Wat we hier doen? Ook weer vakantie vieren. Een heerlijk koud Tuskertje en een witte wijn voor Geertje vinden eenvoudig een weg naar onze monden terwijl het zonnetje steeds wat verder ondergaat. Het weer is nog niet voor honderd procent wat we er van hadden gehoopt, maar alsnog: dit plaatje is toch geweldig?
Terug op Efate
Als we de veerboot terugnemen naar Port Vila sluiten we de avond af op het terrasje naast die jeu-des-boulesbaan die op dit wat latere tijdstip na zonsondergang verlaten is. Dat eettentje waar we plaatsnemen daarentegen niet: het lijkt wel alsof we bij dé ontmoetingsplek van de inwoners van Port Vila zijn, want bij dit afhaalrestaurant is de ene Vanuatuaan nog niet weg, of de andere is alweer naar binnen gelopen. Het laat zich raden waarom het hier zo druk is: de inktvisringen en de hamburger die we bestellen (en natuurlijk een ijsje) zijn tien keer lekkerder dan dat ze eruitzien. Héérlijk!
Voldaan na een topdag gaan we naar bed, maar die dag erop worden we toch weer wat minder goed wakker: de weergoden werken wederom niet mee. De lucht is grijs, de vloer is nat. Regen viert weer hoogtij vandaag. Gelukkig verlaten we Port Vila en zullen we pas over drie dagen weer terugkeren op Efate - de naam van het eiland waar de hoofdstad ligt. In de ochtend van 19 juli rijdt eenzelfde busje als drie dagen eerder ons weer naar het vliegveld. De buschauffeur is door het dolle heen dat we uit Nederland komen. Het vlaggetje dat hij tijdens het WK laat wapperen, is namelijk een Nederlandse. Op het vliegveld checken we de ruimbagage in. Eén tas, want mijn backpack laat ik drie dagen in Port Vila liggen. Onze handbagage zal op dit ouderwetse, primitieve vliegveld nooit gecheckt worden. De Vanuatuanen geloven het wel. Aan de muur hangt een kast en uit die kast hangen tien draden. Gratis je telefoon opladen, wordt er geadverteerd. Drie kabels zijn bezet, waar de batterijen van de telefoons van stroom worden voorzien. Niemand die erbij staat, niemand die de telefoons meeneemt. Gestolen wordt hier toch niet en dat is tekenend voor het gevoel dat Vanuatu ons tot nu toe gegeven heeft.
Degenen die de introductiepagina van Vanuatu gelezen hebben, zullen gelezen hebben dat we specifiek naar Vanuatu gekomen zijn om één heel bijzondere ervaring mee te maken. Diegenen zullen zich misschien ook afgevraagd hebben wat die ervaring dan precies is. Dat vliegtuig dat we nemen, brengt ons naar Tanna, een van de meest zuidelijke eilanden van de archipel die Vanuatu vormt. En daar is iets unieks te vinden.
Reactie plaatsen
Reacties