Ademhalen. Zuurstof. Wat kan dat toch lekker zijn, hé? Eén nachtje slapen na het grootste hoogteverschil dat we ooit in één dag hebben getrotseerd, hakt er toch wel in en we voelen ons bijna als Superman als we de buitenwijken van het voor ons inmiddels bekende Arica weer binnenrijden. We maken nog een kleine stop in Arica: boodschappen bij Geertjes favoriete Zuid-Amerikaanse supermarktketen Jumbo (heeft niks te maken met de Veghelse variant) en een plasstop in het winkelcentrum. Oh ja, en een parkeerpauze achter het hippiehostel van de vorige keer om even de WiFi te tappen om twee podcasts over Chili te downloaden. Wat? Laat ons lekker.
Na definitief afscheid genomen te hebben van onze relaxte thuishaven Arica, zetten we de route zuidwaarts in, dwars door de onherbergzame, onvergefelijke Atacama-woestijn. Ik zei het al: de droogste woestijn van de wereld en zelfs een blinde in het donker zou dat nog kunnen zien. De Atacama-woestijn is niets dan zand en steen en er groeit hier nog geen brandnetel. Wat hier wel groeit, is Geertjes zelfvertrouwen achter het stuur. In Nederland vormt Geertje een keurige chauffeur, maar buiten de grenzen wordt het doorgaans een ander verhaal. Nederland heeft geen bergen; het buitenland vaak wel en als je Geertje een paniekaanval wil bezorgen, dan zet je haar achter het stuur op een steile, bergachtige weg met afgronden die een zekere dood betekenen wanneer je besluit erin te rijden. Geertje neemt voor het eerst plaats op de bestuurdersstoel van Snowie als we Arica uitrijden in de overtuiging dat de weg dwars door de Atacama-woestijn een vlakke, rechte weg is. Wat ik haar niet vertel, is dat de Atacama geen saaie woestijn is, maar een beeldschone, bergachtige woestijn en om in onze volgende stop Iquique te komen, moeten we door twee enorme kloven heen die in het woestijnlandschap zijn uitgesleten. Wat blijkt? Geertjes angst voor bergwegen zit tussen de oren, want ze dendert de Quebrada de Chiza door alsof het de A2 naar Amsterdam is!
Nog meer geogliefen
Wel doen we nog één chauffeurswissel: op iets meer dan een uur van Iquique vinden we nog de Gigante de Tarapaca. Midden in de woestijn ligt een heuvel waar weer zo’n geoglief te vinden is van 100 meter. Naar verluid. Want we vinden ‘m, maar we kunnen ons onmogelijk voorstellen dat deze rotstekening honderd meter lang is. Ik denk dat de informatiebordjes van de Gigante de Tarapaca geschreven zijn door die ene jongen uit de klas die altijd al z’n verhalen sterk overdrijft, maar het zal wel. We maken rechtsomkeert en na over een iets te grote steen te rijden die Snowie van een flinke optater aan het onderstel voorziet (die Geertje even weghaalt), rijden we door naar Iquique. Dit reuzengeoglief zou ik niet per se bovenaan de bucketlist zetten.
Iquique daarentegen wel. Het is rond tweeën als we de laatste zandheuvel Cerro Dragón trotseren en de 200.000 inwoners tellende stad Iquique van bovenaf mogen aanschouwen. Wat een aanzicht, jongens en meisjes! Iquique heeft goed opgelet bij de kunstlessen, want als je jezelf als kuststad zó weet te presenteren, was je in tegenstelling tot de schrijver van de informatiebordjes van de Gigante de Tarapaca, wél één van de beste leerlingen van de klas.
Dat Iquique een mooie plek is, zal de komende twee dagen nog wel wat extra gaan blijken. We checken in en waar Geertje zich even uitgebreid opfrist en een boodschappenlijstje maakt, maak ik mezelf al uit de voeten en ga ik naar het bijzondere centrum van Iquique. Iquique is geen koloniale stad zoals zovele op dit continent. Pas na de onafhankelijkheid van Chili is Iquique pas in de tweede helft van de negentiende eeuw echt gegroeid. Geen karakteristiek, architectonisch mooi Latijns-Amerikaans centrumpje in Iquique dus. Wat dan wel? Een kille binnenstad vol steriele, zielloze betonreuzen? Nee, dat ook niet. Een heel uniek centrum, zoals we dat deze reis nog niet eerder hebben gezien. Wat voor centrum precies, vertel ik nog even niet. Eerst moet ik pinnen.
Chileens spaans en het woord van jezus
Ik loop een tienda binnen om te vragen naar de dichtstbijzijnde pinautomaat, maar het antwoord laat zich niet direct raden. “Qui plaquina!” zegt de caissière vrolijk. Nou, vrolijk word ik er niet van, want dankzij deze raadselachtige zin begint mijn bovenkamer intense overuren te draaien. Ik zei het al eerder: dat Chileense Spaans is zo onverstaanbaar als het gebrabbel van een baby. Qui plaquina, qui plaquina, qui plaquina... Wat mevrouw eigenlijk probeert te zeggen, is ‘aqui por la esquina’, wat 'hier op de hoek' betekent. Dus ik ga maar naar de hoek. We zijn in Chili, dames en heren, het linguïstische Zuid-Limburg van Latijns-Amerika.
De cajero op de hoek waar de mevrouw me naartoe stuurde, is buiten werking. Ik slenter wat door de straatjes van Iquique en in de verte zie ik twee Westerse jongens staan – de enige westerlingen die we tijdens onze twee dagen in Iquique tegen zullen komen. Jonge gasten, haartjes keurig in de lak, een witte blouse met een chique pantalon eronder en van die instappers die op een bruiloft niet zouden misstaan. Ze hebben me al in de smiezen en als ik ze nader, steekt de blonde, iets langere knaap gretig z’n hand uit en met een zwaar Amerikaans accent stellen ze zich voor. De namen? Die weet ik niet. Twee bijzondere namen waren het in elk geval wel; van die moeilijke, ingewikkelde Bijbelse namen. De twee jongemannen zijn naar mijn inschatting de twintig nog niet voorbij, maar ze zijn wel bijzonder vriendelijk en hoffelijk en na hun moeilijke namen alweer vergeten te zijn, vermelden ze erbij dat ze uit Utah komen. Begint er al iets te dagen? Jawel, in de blog van Arica had ik het terloops al benoemd: daar liep Geertje een kornuit tegen het lijf uit Utah. Boodschappers van Jezus! Ook hier! Nu ben ik toch wel benieuwd. Ook ik krijg een uitnodiging om zondag mee te gaan naar de kerk, maar ik bedank vriendelijk en dat begrijpen ze helemaal. “My girlfriend met one of you guys in Arica as well. What brings you here?” luidt mijn vraag, waarop de donkerharige kleinere jongen antwoordt dat hun kerkgemeenschap in Utah een groep van tweehonderd jongeren naar Noord-Chili heeft gestuurd om het woord van Jezus te verspreiden. Tweehonderd! En wij zijn er al drie tegen het lijf gelopen! Dan is het spotten van dat andeshert in Lauca opeens niet zo heel bijzonder meer, want dit is statistisch gezien een grotere prestatie. De allervriendelijkste jongemannen proberen me nog een beetje te overtuigen, maar als ik laat merken dat er echt niks te halen valt, zeggen we gedag. Ik schud ze nog een keer de hand, waarna de jongen met blonde haren nog even wat wil meedelen: “you know, just between the three of us: I’m so glad we finally found some white people in this place.” ... ... ... NEE! Toch weer die vooroordelen van ultraconservatieve Amerikaanse kerkgemeenschappen die nog even bevestigd moeten worden. Jullie waren zó goed bezig, jongens!
Ik neem maar plaats op een terrasje en bestel drie Pisco Sour (was een aanbieding, dus waarom niet) en Geertje komt bij me zitten. Zoals je misschien nog wel weet, is er een heuse voedselvete gaande tussen Chili en Peru over wie nou de bedenker is van Pisco, maar voor nu is die strijd beslecht in het voordeel van de Peruanen. Nog steeds lekker, die Pisco Sour hier, maar in Peru hebben we vooralsnog betere geproefd. Wel is het decor van Calle Baquedano er eentje voor in het boekje. Ik zei al: Iquique heeft geen koloniaal stadscentrum, maar een ander centrum. Een heel mooi en sfeervol centrum, wel te verstaan.
Cowboy Billie Boem
Aan het einde van de 19e eeuw werd er namelijk salpeter in de Atacama-woestijn ontdekt. Salpeter bleek een handig stofje: je gebruikt het voor buskruit en als je kunstmest wil hebben, dan kun je ook wel een paar grammetjes salpeter gebruiken. Chili dacht: exploiteren die hap en in de onherbergzame, voorheen onbewoonde Atacama-woestijn sprongen plots dorpen (en uiteindelijk steden) uit de grond die volledig in het teken stonden van het winnen van dat salpeter. Zo ook Iquique. Eind 19e eeuw was er een andere bouwstijl dan dat inmiddels iconische koloniale de smaak van de maand: Oregen pine uit Noord-Amerika. Wat krijg je dus in Iquique? Een lange, brede straat waar vroeger paardenkaravanen makkelijk doorheen konden, een oeroude trambaan die niet meer in gebruik is, houten stoepen die de straat flankeren en van die typische, kleurrijke, houten gebouwen die het gevoel geven alsof je een westernfilm bent ingestapt. Eerlijk: we zouden er niet raar van op staan te kijken als er zo meteen een cowboy uit een van die namaaksaloons komt gestapt of wanneer een hooibaal door de straten rolt. Yeehaw!
Jubileum
Dat salpeter zijn we dus dankbaar, want anders waren we niet op deze unieke plek geweest, want dan had hier hoogstwaarschijnlijk nog een hoop zand gelegen en uiteindelijk doe je het daar niet voor natuurlijk. Waar we het wel voor doen, is een overheerlijk nikkei-restaurant. Want ja: Iquique was vroeger net als Arica ook nog onderdeel van Peru (eigenlijk was de gedachte om dat salpeter uit te graven dus een Peruaans idee), dus je vindt hier zonder al te intensief zoeken nog genoeg Peruaanse dingen. Gelukkig maar: want de nikkei-keuken is Geertjes all-time favoriet geworden. Ook bestellen we een Chileens biertje. Een Kunstmann. Klinkt Duits en is het waarschijnlijk ergens ook, want er zijn veel Duitsers en Zwitsers naar Chili geëmigreerd. Alhoewel ze het hier een Kuma noemen, want dat Chileens Spaans blijft bizar als het gaat om het aantal medeklinkers dat ze hier inslikken. En het is nog een bijzondere dag ook! Het is 14 mei en die dag staat in het teken van ons negenjarig jubileum! Negen jaar geleden vroeg ik Geertje verkering op hetzelfde continent als waar we nu zijn. Een betere plek om te proosten met een ‘Kuma’ op nog vele jaren samen dan een restaurant dat Geertjes lievelingseten serveert, is er dus niet! (En Geertje voegt even een foto toe van negen jaar geleden toe: ra, ra, welke is dat?)
De dag erna starten we rustig op. Op veertien hoog (haha, veertien mei, veertiende verdieping) tik ik met een koffietje met een werelds uitzicht over de stad nog even aan de blog terwijl Geertje een kaarsje voor haar oma (het is vandaag de sterfdag) haar shoppingslust botviert op de Jumbo om de hoek. Lekker relaxt, maar er staat nog veel op de planning.
De stad Iquique
Vissen en wilde dieren
In de middag duiken we de stad in. We willen wel even naar de vismarkt om wat verse vis te proberen, maar als we bij de markt – waar je geen stuiver geeft voor de buitenkant – de trap oplopen naar het hogere eetgedeelte, zien we toch maar af van die beslissing. De stank waarmee we overvallen worden, is niet te harden! Alsof je demente overgrootvader in zijn luier heeft gepoept en de inhoud ervan over de muren heeft gesmeerd. Wát een lucht! Die darmen van ons willen we na ons Giardia- en Salmonella-avontuurtje van een paar weken geleden niet dusdanig op de proef stellen, dus besluiten we het bij een biertje te houden. Op den duur went die lucht wel, luidt de hoop, dus genieten we van een biertje en live-muziek van een schattige vrouw met een gitaartje en een Venezolaanse rapper die pardoes over Zwarte Piet gaat rappen zodra we hem vertellen uit Nederland te komen. Je kunt maar je associaties hebben.
We hebben overigens ook gehoord dat er voor de kust van die vismarkt visafval wordt gedumpt. Klinkt kut, maar de echte reden is dat er een soort van artificieel ecosysteem tussen afval lozen en hongerige zeeleeuwen op die manier in stand wordt gehouden. Makkelijk zeeleeuwen spotten, hebben we dus vernomen. Maar dat het zo makkelijk zou zijn, hadden we niet verwacht, want als we naar de kust lopen, maken we een sprongetje van schrik. Niet één zeeleeuw. Geen twee zeeleeuwen. Zelfs geen tien zeeleeuwen. Nee, een stuk of VIJFTIG zeeleeuwen liggen pontificaal met hun enorme lichamen op het strand! Wat een units zijn dit, zeg! Heb je ooit een zeeleeuw gezien? Wij dachten van wel (in Paracas), maar de exemplaren die hier in Iquique liggen te luieren zijn van een compleet andere orde. Vrachtwagens van beesten met de omvang van kleine aanhangwagens liggen brullend op het zand. Want brullen, dat doen ze. Iemand Stranger Things gezien? Ken je die kekke demogorgons dan ook? Nou, zo’n zwaar, monsterlijk geluid maken deze dingen ook. Bizar! Als zo’n beest je een rechter geeft met één van die flippers, mag je blij zijn als je voor 2030 weer wakker wordt. En toch zijn ze ergens wel schattig. Daarom maar even al onze honderdduizend foto's in één diavoorstelling. Kun je lekker onbeperkt zeeleeuwenfoto's bekijken.
De Pacific War
Geertje duikt de stad in, ik duik Esmeralda in. Nee, ik ga niet vreemd, want de Esmeralda is een schip dat tijdens de Pacific War door de Chilenen is ingezet. Kort maar krachtig geschiedenislesje: toen dat salpeter ontdekt werd in die weidse Atacama-woestijn, wilden Chili, Peru en Bolivia allemaal een graantje meepikken. Weet je het nog van die Slag om Arica? Juist! Die heeft ook plaatsgevonden vanwege dat salpeter! Chili is de grote winnaar geworden van die Pacific War want onderhand die hele Atacama is nu Chileens grondgebied, waar Peru en zeker Bolivia (geen kustlijn meer) zijn er bekaaid vanaf gekomen, want Iquique en Arica waren ooit Peruaans en het gebied van San Pedro tot Antofagasta (een paar honderd kilometer ten zuiden van Iquique) was vóór die oorlog nog in handen van Bolivia. Eigenlijk maar goed ook: anders hadden we Chili nu niet op onze landenscratchmap door kunnen krassen.
Buiten dat stukje geschiedenis is het ook gewoon wonderlijk om in zo’n replica van zo’n oorlogsschip te kunnen lopen. De kanonnen en de imposante masten zien, maar ook zeker om een kijkje in het leven van zo’n bemanning te krijgen. Ik zou overigens geen bemanningslid willen zijn, want waar de hogere meneertjes op zo’n boot een behoorlijk prima privékamer (zonder wifi weliswaar) hebben, hangen in het ruim nog allemaal hangmatjes aan haken aan de plafonds geknoopt voor de doodnormale bemanning. Privacy is daar slechts een illusie. Je zou als jong bemanningslid (de jongste twee van de Esmeralda waren slechts dertien jaar) maar eens toegeven aan je hormonen en een intiem me-time momentje pakken. Dan kan de hele crew live meegenieten.
Een noodkreet voor Geertje
Na m’n bezoek aan de Esmeralda nestel ik me op een terrasje en bestel ik vast twee bier. Wat is Iquique met haar westernstraatjes toch een heerlijke stad. De prachtige, sfeervolle gebouwen, het grote plein met de houten klokkentoren in het midden, het complete gebrek aan buitenlands toerisme: als ik Iquique op kon pakken en in Nederland zou kunnen leggen net zoals ik vroeger bij RollerCoaster Tycoon zo’n haakje gebruikte om m’n pretparkgasten in het water te dumpen, dan zouden we hier wel kunnen wonen.
Geertje komt wel naar mij toe, appt ze me. Waarom ik niet naar haar? Vraag ik me nog af. Zij zat toch ook op een terrasje? Het zal wel. Het duurt slechts minuten voor ze eraan komt gelopen met een blik van een meisje uit groep drie dat een pop van een klasgenootje gejat heeft. “Wat heb je gedaan?” vroeg ik. “Beetje rondgelopen en foto’s gemaakt,” zegt ze. “Ook op een terras gezeten, toch?” vraag ik. “Ook.” “Lekker biertje gedronken?” “Nee.” “Wijntje zeker? Chili wijnland, hé?” “Nee, ook niet?” “Wat dan?” “Agua con gas.” En toen bleef het even stil. “En dat is het?” vraag ik nog maar een keer. Mijn brein is in de war. Wat heeft ze nou te verbergen? Heeft ze peuken gekocht? Is ze zwanger? Heeft ze een Chileense bank beroofd? Dan komt de aap uit de mouw: “ik heb weer een nikkei-restaurant gevonden…” God zij met ons. Er moet een interventie komen. Ik ben met een verslaafde op reis.
De Geesten van het verleden
De ochtend erna snel weg uit Iquique. Hoe verder van Peru, hoe verder we van Geertjes verslaving geraken. De volgende en laatste stop van onze roadtrip Noord-Chili is San Pedro de Atacama, in voormalig Boliviaans grondgebied. Hopelijk is daar geen nikkei te vinden. Op de route, een kleine drie kwartier buiten Iquique maken we nog een laatste stop, want de hoofdattractie van Iquique hebben we nog niet gehad. We gaan naar Humberstone en Santa Laura.
Salpeter, salpeter, salpeter
Dus we gaan het weer hebben over salpeter. Je weet intussen wel dat salpeter dé reden is dat er überhaupt plekken zijn in die goddeloze, onherbergzame Atacama-woestijn waar mensen kwamen wonen. Toen salpeter ontdekt werd en er talloze mijnen werden geopend, trok men massaal naar deze regio, want ja, economische kansen, zeker voor mensen die elders een uitzichtloos bestaan hadden. Onmisbaar in de regio, dat salpeter dus, maar wat nou als ik je vertel dat er vandaag de dag geen salpeter meer gewonnen wordt?
Salpeter was nodig voor buskruit en kunstmest, maar er zijn vandaag de dag een hoop alternatieven voor buskruit en er was een stel Duitsers dat rond 1920 een synthetische vorm van kunstmest ontwierp. De vraag naar salpeter? Die stortte daardoor als een zwak kaartenhuis ineen. Humberstone was zo’n typische salpeterstad in Noord-Chili, met de naastgelegen mijnfabriek Santa Laura. In 1872 gesticht, bruisend met duizenden inwoners en volledig in het teken van salpeterwinning, maar na 1920 werd de toekomst uitzichtloos en in 1960 was de stad compleet verlaten. Maar de stad en de mijn bestaan nog wel, nog precies zoals die er 65 jaar geleden achtergelaten werden. Humberstone is de grootste, nog overeind staande spookstad in Chili.
Humberstone
Wat een vette plek. Als we bij het centrum van Iquique al aan een westernfilm dachten, dan gaat die vlieger hier al helemaal op. Midden in de dorre Atacama-woestijn, liggen de moderne overblijfselen van deze intrigerende mijnstad: brede straten, allesverzengende hitte en zand, zand en nog meer zand. Maar de stad zelf staat nog overeind. Niet fier overeind, maar zwalkend, want naast het decor van een westernfilm, zou je hier ook talloze horrorfilms op kunnen nemen. We lopen de dorpsstraat van Humberstone binnen. De gebouwen in deze straat zijn prachtig gerestaureerd (Humberstone en Santa Laura staan op de UNESCO-lijst) en in alle huisjes van de dorpsstraat zijn musea opgesteld om een kijkje te kunnen nemen in het alledaagse leven van de mensen die nog niet eens zo lang geleden in Humberstone woonden.
Het moest een zwaar leven geweest zijn, hier in Humberstone. De woestijn is overdag loeiheet, maar ’s nachts kan het kwik beneden het vriespunt dalen. De dagen waren lang en de voorzieningen waren karig. We zien hoe de families leefden, we zien hoe de dokters te werk gingen, hoe ijzersmeden de stad van ijzerwaar voorzagen en hoe de komst van elektriciteit de eerste dingen hier veranderde. Het mooiste: alle objecten en spullen die in deze musea zijn tentoongesteld, zijn ergens in deze verlaten spookstad gevonden toen de Chileense overheid in 1978 besloot om hier een openluchtmuseum van te bouwen. De tang van de tandarts die daar ligt, heeft in de mond van een mijnwerker gezeten. Die lugubere horrorpop was ooit de beste vriend van een klein kindje van zes. Die hoefijzers hebben onder paardenbenen gezeten die hier echt gelopen hebben. Dit is echt een van de mooiste en meest boeiende musea die we ooit gezien hebben en ja, ik zeg ‘we’. Zelfs Geertje is overstag en ik weet haar bij een kookboek vol met meer dan 100 jaar oude recepten niet meer weg te slepen.
De werkplaatsen
Als we de dorpsstraat uitlopen, komen we in het gedeelte waar gewerkt werd. Niet waar salpeter gewonnen werd (daar komen we straks), maar waar de opslagkamers waren, waar de verwerkingsmachines stonden en waar de werktuigen gemaakt, gebruikt en opgeknapt werden. Een rauwer gedeelte, kan ik je wel vertellen. Het oude gemeentehuis vinden we daar ook, maar het boeiendste is dat het museumgedeelte met keurig gesorteerde objecten en naambordjes tot het verleden (dubbelzinnig, ha-ha) behoort en de werkplaats gewoon rauw en onaangetast is. Exact zoals die er 65 jaar geleden ook bij stond. Vervallen schuren, enorme opslagplaatsen, gigantische machines die al decennia ongebruikt stof aan het happen zijn. De vergetelheid is hier zó enorm voelbaar en het is zo bizar dat hier 65 jaar geleden misschien nog een machine aan het draaien was. En die verlatenheid, die verpieterende golfplaten, die roestende machines, die krakkemikkige houten trappen en fundamenten. Het is zelfs best wel angstaanjagend. Je moet een grote meneer zijn om hier ’s nachts rond te lopen, want dan is dat horrorplaatje dat ik zojuist heb geprobeerd te schetsen, compleet. Ik weet dat ‘de spoken van salpeter’ klinkt als een Donald-Duckverhaal, maar geloof me: na zonsondergang waren die spoken van salpeter hier gewoon nog rond.
Het woongedeelte
Via een boog lopen we terug en dan komen we in het woongedeelte van Humberstone. Ook hier geen musea, maar gewoon, de huizen zoals ze er vroeger stonden. Oud, vervallen, macaber, maar oh zo boeiend en interessant. De kamers zijn nog intact, maar het behang valt van de muren en alles is zo leeg als het hoofd van een ezel. Alles wat hier gevonden is, ligt immers in die musea in de dorpsstraat. Och, wat hadden we hier met Dronie mooie shots kunnen maken, maar helaas zijn drones in Humberstone verboden. Omdat Humberstone nog niet zo lang verlaten is, is het ondanks de vervallen muren en afgelegen gebouwen die zo’n spookachtig, stil en mysterieus gevoel opwekken, heel goed voor te stellen hoe men hier leefde. Het dorpsplein. Het brandweergebouw. De schommels die je ondanks de roest nog zo op en neer ziet gaan. Het schooltje. Het gigantische theatergebouw. Een hotel met haar slaapkamers, balzaal, kantine en café. De stoffige straten. De desolate watertorens op de hoeken van het dorp. Een paar door de roest diepbruine locomotieven die nog ergens gestald staan. We zouden er een hoop geld voor over hebben om ook maar één uurtje een eeuw terug in de tijd te gaan om te zien of er ook echt geleefd werd zoals we denken dat er geleefd werd.
Santa Laura
Tot slot komt de zware jongen. Santa Laura. Op een minuut of drie rijden, vinden we Santa Laura. Voor de vorm vragen we nog even aan de parkeerwachter waar Santa Laura is, maar in dit onbegroeide, ruige, onherbergzame woestijnlandschap hoef je je dat eigenlijk niet af te vragen, want in de verte zien we de bruinzwarte fabrieksschoorsteen al boven het zand uitsteken. Door Santa Laura werd er geld verdiend. Door fabrieken als Santa Laura trok men naar de Noord-Chileense woestenij. Door Santa Laura bestaat Humberstone. Met het geld dat bij de salpeterraffinaderij Santa Laura werd verdiend, hadden we de rest van ons leven wel een wereldreis kunnen maken.
Wat een ding. Ja, tuurlijk: rijd naar een willekeurig industrieterrein en je ziet ook wel zo’n fabriek staan, maar hier is het toch anders. Als je om je heen kijkt, zie je buiten Humberstone in de verte niks. Helemaal niks. En hier staat bruin van de roest opeens een enorme fabriek te koekeloeren. Hoe bizar is het dat dit ooit het bruisend middelpunt was van een groep opportunisten die alles in de waagschaal gooide (ja, dit is zonder 'n') om een beter leven te krijgen? En dat deze stad bijna van de één op de andere dag een verlaten spookstad is geworden? Zo vet. Er leefden blijkbaar ook nog mensen om Santa Laura heen. We vinden nog een basketbalveldje waar al decennia geen bal meer door het doel is gegaan. Een plein waar al jaren geen panfluit meer is gespeeld, een minimarktje waar het laatste pakje sigaretten wel héél lang geleden over de toonbank ging. En natuurlijk die imposante fabriek waar al in geen tijden meer salpeter over de banden heeft gerold. Net zoals Humberstone: de enige strijd die Santa Laura nog voert, is met de tand des tijds.
We gaan weer terug naar Snowie. Het is warm. Heet zelfs. Maar het is ook weer tijd om te gaan. Onze roadtrip nadert haar laatste bestemming in Noord-Chili, maar wel de bestemming waar we het langste blijven. Met dat spookachtige en mysterieuze gevoel dat deze intrigerende, bijzondere spookstad ons gegeven heeft, zetten we verder koers naar het zuiden. Met de geesten van het verleden in ons achterhoofd, draaien we de sleutel in het contact van Snowie en beginnen we met de lange rit naar San Pedro de Atacama die Geertje voor het grootste deel zal afleggen. Iquique was een fantastische stad en absoluut een aanrader. Mocht je in deze streek zijn: ga. En zeg dan ook even ‘hallo’ tegen de spoken van salpeter, als je er toch bent. Dat zal je niet betreuren.
Reactie plaatsen
Reacties
Toch heeft Spookstad één groot voordeel: geen files. Sterker nog, als je onderweg iemand tegenkomt, krijg je waarschijnlijk een certificaat van zeldzame waarneming.
En toch heeft een Spookstad één groot voordeel: geen files. Sterker nog, als je onderweg iemand tegenkomt, krijg je waarschijnlijk een certificaat van zeldzame waarneming.
Lekker wakker, Anita!
Prachtig, die woestijntocht op weg naar Iquique. Stoer Geertje, dat jij reed! Boodschappers van Jezus tref je werkelijk overal ter wereld. Jullie "jubileum" (wat waren jullie nog broekies) in Suriname. Op naar de 59 jaar, net als wij!
Zeeleeuwen spotten, keimoi! De Ezmeralda ook boeiend verteld en te zien.
Mooi zeg, de geschiedenis over salpeter en de plaatsen die daardoor ontstonden.
Humberstone
Ik heb me wezenloos vergaapt aan al die foto's van het openlucht museum! Daar zou ik wel eens inhet echie rond hebben willen struinen. Wat een hard leven... Die wekplaats, het dorp de grote fabriek, weer een verhaal apart! Machtig mooi allemaal!
Wat een bijzondere omgeving die spookstad en wat goed van de opgravers/bewoners om oude spullen te bewaren! Die kunnen de daadwerkelijke geschiedenis vertellen van het leven in de woestijn met haar salpeter mijnen. Ik sta verbaasd van Geertje: ze rijdt zelf, maakt de route steenvrij en gaat zelfs mee naar een museum! Chapeau meiske!
Die kolossen op het strand, ik hoor ze brullen 🦭🦭!
Reactie van Anita zal met de jetlag te maken hebben 🤭