Een helft van een voetbalwedstrijd voor we in Salta zijn, slaan we voor de stad linksaf en rijden we westwaarts. De richting is de Chileense grens, maar de bestemming is geen Chileense. Gewoon een Argentijnse. San Antonio de los Cobres. Geen dorp dat bij iedereen bovenaan de bucketlist staat en bij ons eigenlijk ook niet, maar er is één reden waarom wij dolgraag naar dit sombere bergdorpje willen. El Tren a las Nubes.
Vertaling: de trein naar de wolken. Eerlijk? In een deel van de wereld waar mooie namen in overvloed zijn, vind ik de trein naar de wolken er zelfs nog bovenuit schieten. Van Salta naar San Antonio de los Cobres loopt namelijk een roestig, vergeten treinspoor. Eentje die niet meer in gebruik is. Eén stuk van dat complete traject wordt nog wel eens per dag gebruikt, puur voor toeristische doeleinden: een stuk in San Antonio de los Cobres bevat een viaduct van 63 meter hoog door een ravijn heen, terwijl de trein zelf al op een hoogte van 4200 meter boven de zeespiegel rijdt – een van de hoogste actieve treinen ter wereld. Daar willen wij wel een ritje in maken. Een trein die je letterlijk naar de wolken brengt.
Ruta 51 - Het ravijn van de stier
Om in San Antonio de los Cobres te geraken, nemen we dus niet de barslechte doch prachtige Ruta 40 die Cachi met San Antonio verbindt, maar hebben we dus eerst die weg terug naar Salta gereden om vandaar de afslag te pakken naar Ruta 51 die provinciale hoofdstad Salta met San Antonio verbindt. En da’s toch wel een route die minstens net zo mooi is, als we het netvlies van onze ogen mogen geloven. We rijden namelijk door de immense, machtige, oogverblindend mooie Quebrada del Toro.
Die Quebrada del Toro is enigszins vergelijkbaar met die Ruta 33 van Salta naar Cachi. Imposante, dramatische bergen die als reuzen boven Olaf uittorenen en cactussen zijn de planten naar keuze hier. Het is een en al macht en natuurgeweld dat we mogen aanschouwen. Waar onze ogen iets minder cactussen te verwerken krijgen en Olaf nét wat vaker rechtdoor mag rijden en we niet zo veel haarspeldbochten mogen trotseren, kenmerkt deze weergaloze bergroute waarin we 3000 meter stijgen, zich door heel wat ander moois: de rivierbedding en het spoor van die Tren a las Nubes.
Dwars door die Quebrada del Toro loopt ook een enorme rivier. Of ja, rivier: het restant van een machtige rivier. De gehele route worden we geflankeerd door de prachtige bergen, maar ook zijn we continu getuige van een immense, decameters brede drooggelegde rivierbedding van zwarte en grijze stenen die fel afsteken tegen de groengele bergen die het landschap vormen. Soms steken we ‘m over, soms rijden we kilometers lang aan één kant van de oever. En dan die spoorweg: ook die vormt een terugkerend motief op de Ruta 51 en waar we hem soms een minuut of tien uit het oog verliezen, duikt dat spoor dan opeens weer op om de weg te kruisen of om met een indrukwekkend viaduct over ons heen te voeren. Als een kat-en-muisspel flirt de weg met dat spoor: we komen elkaar continu tegen, maar één worden we nooit. Dat moet een fantastisch treinritje worden, toch? Nou, die droomt valt in duigen, want we gaan die trein helemaal niet nemen.
Met het risico dat we klinken als twee borderliners die eerst nog vol lof spraken over die trein naar de wolken, maar ‘m vervolgens niet gaan nemen, moet ik toch even wat uitleg verschaffen. Een kaartje voor een treinritje van één uur heen en terug? 138 euro! PER PERSOON! Ammehoela, dat gaan we er niet voor betalen. Eerder heb ik al gezegd dat San Antonio de los Cobres maar een somber dorpje schijnt te zijn, dus wat gaan we daar dan in godsnaam doen? Nou, we gaan er eten en we gaan er slapen. En in de ochtend na onze nachtrust, gaan we toch even naar die trein kijken. Nabij San Antonio schijnt er namelijk een uitzichtpunt te zijn op dat 63 meter hoge viaduct en het uitzicht op die overrijdende trein zou ook fantastisch moeten zijn. Dát gaan we doen in San Antonio de los Cobres.
San Antonio de los CObres - Het dorp waar je niet wil zijn
De hypothese dat San Antonio maar een somber dorpje is met bestaansrecht rondom louter industrie, blijkt correct te zijn. Sterker nog: dit is misschien wel het meest sfeerloze dorpje dat we deze hele reis gezien hebben. Een schril contrast met het knusse, schattige, warme dorpje Cachi dat we vanochtend vroeg verlieten. Ik zal even een beeld voor je schetsen. De onafgebouwde huizen en de lege straten maken dat het net een verlaten spookdorp is en dan niet een mooie variant. Niemand in San Antonio de los Cobres heeft ooit het idee gehad om ergens een zaadje in de grond te stoppen om wat groen te krijgen en de temperatuur op straat doet vermoeden dat we weer in Uyuni zijn. Het enige pluspuntje is een mooi welkomsthart dat ergens op de bergen aan de achterkant van San Antonio is gelegd in grote blauwe en witte keien om de teleurstelling van dit dorp iets te verbloemen.
Maar is dat erg? Nee, want dat hadden we verwacht en dat wisten we al toen we één nachtje in dit gat boekten. Niet ieder dorpje kan de charme van een prins op het witte paard hebben. Je hebt er af en toe gewoon een Shrek tussen zitten. Gelukkig zijn de mensen hier, zoals alle Argentijnen, wel weer fantastisch, aardig en behulpzaam. En dan hebben we liever een lelijk dorp met een warme bevolking dan een prachtige plek met een stel chagrijnige neuzen. Over neuzen gesproken: onze neuzen zijn op zoek naar eten. We hebben wel honger en dan moet er gegeten worden. Of ja, ik heb honger. We zitten op bijna 4000 meter boven zeeniveau, dus de ijle lucht maakt een terugkeer en zoals de combinatie van Geertje en hoogtes ons al vaker heeft geleerd, is haar honger op zo'n momenten als sneeuw voor de zon verdwenen. We lopen door het kille dorpje naar een van de enige restaurants die het centrum rijk is. Geertje eet een empanada, ik de rest en ik doe me te goed aan een lamastoofpot in het verder lege, troosteloze restaurant waar de lampen niet eens aan staan. Die lamastoofpot is net zo smerig als dat het dorp lelijk is, maar dat hadden we ook niet anders verwacht. Een paar flinke klompen lamavlees die er met hun grijze kleur droog en onsmakelijk uitzien, liggen op een bodem van iets te kort gekookte rijst en tussen een smerige mix van een paar slappe, flubberige huis-tuin-en-keukengroenten. Met de grootste pijn en moeite weet ik de halve kom weg te werken, maar van harte gaat het allerminst. Morgen is de begrafenis waarin we afscheid nemen van mijn smaakpapillen.
Nu we er toch zijn, maken we gelijk maar een klein rondje door het dorp. Tot onze grote verbazing treffen we een kaal dorpspleintje aan met een kerk die zowaar een voldoende op z’n rapport mag ontvangen. Niks bijzonders, maar het absolute hoogtepunt in een anderszins doodsaai dorpje. Maar dat is het ook. Een krappe zes en een half, misschien een zeven als we de kleurrijke letters die de naam San Antonio de los Cobres vormen welke de illusie verschaffen dat er hier ook maar één reden is om te gaan wonen, meetellen. We zijn het dorpje goed gezind: het rapport noteert een 7,0 voor de kerk. Verder is het huilen met de pet op. Bij een supermarkt waarvan de helft van de schappen leeg is, weten we met behoorlijk wat speurwerk nog wat proviand voor morgen in te slaan, alvorens we naar huis lopen. In een lege woonstraat komt er nog een mevrouw naar ons toe met een aantal gebreide lamasouvenirtjes. Niemand die de mevrouw ooit heeft verteld dat de mistroostige woonwijken van San Antonio de los Cobres niet ’s lands beste plekken zijn om je souvenirtjes te slijten. We bedanken vriendelijk, want we gaan naar bed. Hoe eerder we gaan slapen, hoe eerder het morgen is en hoe eerder we kunnen vertrekken naar wat gezelligere oorden.
In de ochtend zijn de straten net zo doods en verlaten als in de avond. We pakken Olaf weer in (middels een inventief systeem via het slaapkamerraam waardoor we spullen versjouwen alsof we brandjes blussen met emmers water) en we zetten koers naar het westen. Op naar dat viaduct van die trein, want dat is de enige reden dat we in dit godvergeten gehucht ook maar één nacht gebivakkeerd hebben.
De trein naar de wolken
Maar de weg is slecht. Zo slecht hebben we het nog niet eerder gezien. Op de route de stad uit rijden we slechts over grind en als we een van de vele vrachtwagens passeren (mijnbouw is in San Antonio met behoorlijke afstand de dominantste industrie), dan kan ik Geertje door het stof niet eens meer naast me zien zitten. Allemaal leuk en aardig, maar het wordt pas echt abominabel wanneer we na een kwartiertje van de weg af moeten om die befaamde Ruta 40 weer op te duiken. Nou ja, befaamd is hier niet per se zichtbaar. Dit is met afstand de slechtste weg waar we ooit op gereden hebben. En dan ben ik nog vrij optimistisch en heb ik een goede pet op door dit stuk gedrocht van zand en stenen een ‘weg’ te noemen. Sommige stukken zijn los zand waardoor Olaf met z’n tweewiel-aandrijving maar zelden grip heeft. Soms is de weg rotsig en steken er puntige stenen vervaarlijk verticaal naar boven. Losse rotsen op de weg zijn ook geen uitzondering. En dan is het genoeg geweest. We komen bij een bocht van 90 graden naar rechts, maar in die binnenbocht zit een drie meter diepe afgrond. De weg zelf is nog minder breed dan dat Geertje lang is, er stroomt een random beek (héél random, want water is hier een zeldzaamheid) dwars overheen en de weg bestaat uit losse, op elkaar gestapelde stenen. Geen grind. Geen zand. Stenen. Gewoon een stapel keien, elk ter grootte van een nachtlamp, die lukraak op elkaar gemikt zijn. Olaf begint al te jammeren en we kiezen eieren voor ons geld. Dit gaan we niet doen. De Tren a las Nubes nemen we niet en helaas: we gaan dat machtige viaduct over de immense vallei ook niet aanschouwen. Zonder 4x4 is deze route simpelweg niet te volbrengen. Onze trein naar de wolken is regelrecht naar de man gereden.
Na 382 keer te steken, weet ik Olafs neus 180 graden de andere kant op te laten draaien. We druipen af. Teleurgesteld. Hierdoor wél teleurgesteld, dus. We zouden nog meer kunnen verwachten van een kleuter die een maancyclus moet uitleggen, dan dat we van de sfeer van San Antonio de los Cobres hadden verwacht, maar we hadden toch gehoopt een glimpje op te vangen van die machtige trein die haar bezoekers de wolken in rijdt, zeker nadat we op die magnifieke Ruta 51 de hele tijd zij aan zij met de restanten van het spookspoor reden. Helaas voor ons zit die Tren a las Nubes er dus niet in.
De ruige ruta 79
Dus rijden we terug en rijden we aan de andere kant het dorp weer uit. De provinciale Ruta 79 op. Het landschap is weer compleet anders dan de bergen met cactussen waar we de afgelopen dagen doorheen gereden waren. Een enorme steppe ontvouwt zich als terrein. Geen begroeiing, alleen maar her en der struiken die uit de grond groeien in een verder desolaat landschap. Als het enorme hoofd van een kalende man die tevergeefs nog wat plukken haar laat zitten terwijl die eigenlijk al lang en breed weet dat-ie toch maar een keer aan de tondeuse moet geloven. In tegenstelling tot dat kalende hoofd, is deze steppe wél prachtig. De ruigheid, de ruwheid, de afgelegenheid. Indrukwekkend. Hier rijden is een avontuur op zich.
Maar we vallen van de regen in de drup in deze blog, zo lijkt het wel. Want hoewel het een avontuur is, is het allerminst een leuk avontuur. Die provinciale Ruta 79 is 93 kilometer lang. En als je de kwaliteitskaart erbij pakt om het wegdek van deze route te keuren, dan kom je ook nu weer op een diepe onvoldoende uit. Wederom is grind de ondergrond van keuze (ik dacht de route nog zo uitgestippeld te hebben zodat we nooit van A naar B hoeven te rijden over een gravelweg, maar dat is hier dus misgegaan), zijn van die ribbelige wasbordjes op de weg de regel in plaats van de uitzondering, werken we ons door het gestuiter bijna richting een nekhernia, moet Olaf een bevroren rivier met losliggende, spitse stukken ijs oversteken en vormen er zich zonder enige waarschuwing, vaak nét na heuvels, diepe geulen over de volledige breedte van de weg waar we iedere keer een optater van jewelste krijgen. Deze weg is absoluut niet voor Olaf gemaakt.
Bovendien blijkt er bijna niemand zo stom te zijn om deze weg óók te nemen. De gehele route van 93 kilometer (hoe lang die duurde, weet ik niet want ik heb de blik psychotisch op de gravelweg gefixeerd gehad) komen we slechts één tegenligger tegen. Eentje maar! Als ik er 46,5 kilometer op heb zitten, ben ik mezelf er ter degen van bewust dat ik halverwege ben en doe ik schietgebedjes naar goden waar ik niet in geloof in de hoop dat het ons ergens zal helpen niet híér met autopech stil te komen staan. Dan zouden we 46,5 kilometer in één van beide richtingen moeten lopen, want auto’s kom je hier niet tegen. In dit onherbergzame, ruige land is in de verste verte geen huis of woning te bekennen. Dan hebben we pas echt een probleem.
Gelukkig gebeurt dat niet. Hoe Olaf het heeft geflikt, weten we niet, maar veilig en ongedeerd bereiken we het einde van de provinciale Ruta 79, zijn we uit de provincie Salta en zijn we in Jujuy, de meest noordwestelijke provincie van Argentinië. Hoewel wij tweetjes opgelucht ademhalen, kan Olaf dat niet. Een van die diepe, verraderlijke, horizontale geulen in de weg heeft Olaf genekt. De rechtervoorkant bungelt troosteloos aan het chassis. Olaf is gewond geraakt, maar hij kan nog wel door, zegt-ie. Autoschade. Zorgen voor later, zullen we maar zeggen.
Reactie plaatsen
Reacties
Wellicht was een 4x4 voor 1 keer nog niet zo'n slechte keuze geweest om de trein naar de wolken te zien. Maar goed. Olaf is jullie trouw gebleven. Er zal vast een monteur in het dorpje zijn die deze wond kan dichten.
Buen Viaje!