De kruisiging
Muziek, chaos, gekte, bier, dans, klederkracht en alle kleuren van de regenboog. We zijn letterlijk een halfuur in Peru - het Boliviaanse Copacabana ligt praktisch op de stoep bij de grensovergang – en het is totaal geen gewaagde uitspraak als ik zeg dat dit het uitbundigste, leukste, vrolijkste en bijzonderste welkom is dat we ooit in een nieuw land hebben gehad. Het is vrijdag 1 mei op de dag dat we de grens oversteken en aan onze ontdekking van Bolivia beginnen en we zijn met de neus in de boter gevallen: we zijn in het weekend van het Fiesta de la Cruz in Bolivia aangekomen.
Je weet ongetwijfeld dat heel Zuid-Amerika nog christelijker is dan de Bible Belt en in dit weekend trekt heel Zuid-Amerika eropuit om de kruisiging van Jezus te vieren. Geen rouwfeestje overigens, dat Fiesta de la Cruz, want als we bezweet met onze backpacks door de straten wandelen, zigzaggen we behendig door een menigte die een en al uit de vrolijkheid van feestende mensen bestaat. Overal galmt muziek van blaasorkesten door de straten en het is een explosie bestaande uit alle kleuren van de regenboog. Dwars door het dorp loopt een wandeloptocht van Bolivianen die massaal naar Copacabana zijn getrokken en het is één groot feest. Het is op dat moment kwart over 12 en onze boot naar Isla del Sol, een eiland op dat Titicacameer waar we nu zijn, gaat over een uur en een kwartier. Je denkt toch niet dat we dit feest dan aan ons voorbij laten gaan?
At the copa (CO!), Copacabana!
Nee, wij ook niet. Backpacks droppen bij de havenmeester en hup, zo snel mogelijk een terras op. En een drankje drinken. Net Peru uit, maar desondanks valt de keuze weer op een pisco sour! Want dat doet iedereen hier. Het is schitterend. Boliviaanse cholo’s in keurige pakken in alle kleuren die je je kunt bedenken en cholita’s in de prachtigste, meest gedetailleerde pollera’s, mega wijde rokken met meerdere lagen die typerend zijn voor de manier waarop afstammelingen van inheemse Bolivianen (geen Quechua meer, maar Aymara) zich kleden. De naam Copacabana zul je waarschijnlijk vooral kennen van dat beroemde Braziliaanse strand (en dat liedje), maar veel mensen weten dus niet dat er óók een Copacabana in Bolivia ligt, maar dan op een iets koudere 3800 meter hoogte en niet nabij de zee, maar aan de oever van het Titicacameer. Als je ons hier met een blinddoek had gedropt en ons had verteld dat we in de fameuze Braziliaanse variant aan een biertje en een cocktail aan het pimpelen waren, dan hadden we dat ook geloofd. De zon die door de hoogte nog drie keer heter aanvoelt brandt als een smeedijzer op onze benen en armen, het helderblauwe water van het Titicacameer strekt zich uit tot aan de horizon en wekt de illusie een zee te zijn en de straten zijn zó feestelijk en kleurrijk dat het hier ook wel voor Carnaval in Rio had door gekund. Doe ons even een warm welkom.
Naar Isla del Sol
Het is eigenlijk een beetje jammer wanneer we in de boot stappen en naar Isla del Sol varen. Isla del Sol mag dan weliswaar het hoogtepunt zijn van dit stukje Bolivia, maar als we geweten hadden wat voor enorm feest er zich op de straten van Copacabana af zou spelen, dan hadden we wel een nachtje in Copacabana geboekt. Dat was aanvankelijk ook het plan, maar de prijzen in hostels en hotels in Copacabana waren compleet door het dak geschoten en eigenlijk was er geen kans om wat te boeken (een booking van 40 euro werd afgewezen en is al duur in Bolivia, maar het eerstvolgende beschikbare kamertje in Copacabana ging voor meer dan 100 euro over de toonbank), maar waarom dat was is nu zo klaar als een klontje: al die beeldschone, zuipende, dansende, feestende cholo’s en cholita’s moeten ook ergens de nacht kunnen spenderen.
Die boot doet er zo’n anderhalf uur over om bij het Isla del Sol te komen. Op de kaart leek het helemaal niet zo ver, want het eiland ligt vlak voor de kust van het Boliviaanse vasteland, dus we verbazen ons aanvankelijk over de afstand. Uiteindelijk blijkt de afstand inderdaad mee te vallen, want het is het tempo van de boot dat de afstand parten speelt: de boot van Copacabana naar het Isla del Sol zou door m’n opa in z’n scootmobiel nog ingehaald worden.
De aanblik van het Isla del Sol is GEWELDIG wanneer we aanmeren. De lucht is net zo helderblauw als het serene water van het Titicacameer en het eiland is groen, glooiend en in de verte zien we het dorpje Yumani waar we verblijven dat ergens hoog tegen een bergkam van het eiland gebouwd is. Aan de onderkant krijgen we weemoedige gevoelens aan Peru door de prachtige, iconische stenen Incaterrassen die tegen de bergwand geconstrueerd zijn en wanneer de motor van de boot uitgaat en we aan land gaan, is meteen hoorbaar hoe kalm en vredig dit eiland is. Het enige geluid komt van het water, van de wind en van de vogels. Het feest in Copacabana zijn we alweer bijna vergeten: Isla del Sol gaat ons goed bevallen denken we zo.
Hoge hoogtes
En dan worden we met twee stalen neuzen van bouwschoenen met maat 49 keihard terug de realiteit ingetrapt. Ons guesthouse ligt zo’n 60 meter hoger en het obstakel dat we moeten trotseren: de Inca Stairs, online liefkozend The Stairs of Death genoemd. Zwaar bepakt (Geertje met zo’n 15 en ik met zo’n 25 kilo) moeten we op meer dan 3800 meter (!) hoogte deze onmogelijk steile traptreden gaan betreden. Een rij van hijgende backpackers die met de ziel onder de armen de trappen omhoog sjokken, vormt zich aan de rechterzijde naar boven. Het is afzien en het is zwaar. De rij backpackers is als de wachtrij voor de Python in de Efteling. Zo snel beweegt-ie zich ook voort. Man, wat is dit zwaar, maar tot mijn grote geruststelling bevestig ik op deze plek de aanname die ik eerder al gedaan had: dat ik behoorlijk goed ga op hoogtes. Ik besluit via links de hele rij in te halen. Goed tegen hoogtes kunnen schijnt aanleg te zijn. Ik heb geluk gehad, Geertje aan haar puffen en hijgen te oordelen wat minder. Maar goed, ik loop iedereen dus prima voorbij. Als ik dat in de Efteling had gedaan, was het asociaal geweest.
Ik zeg dat niet om een veer in m’n eigen reet te steken (oké, misschien een beetje), maar vooral omdat het feit dat die trappen zo soepel gingen, me een hoop moed geven over iets wat ik in de nabije toekomst ga doen. En dat Geertje als een ware vriendin het laatste zetje in m’n rug heeft gegeven om die beslissing door te zetten. Wat dan? Nou, we hebben besloten dat ik de Huayna Potosi ga beklimmen! Wa's da? Kunde da ete? Nee, maar da kunde wel beklimmen. Huayna Potosi is een berg van 6088 meter hoog nabij de Boliviaanse hoofdstad La Paz. En die ga ik beklimmen!
De avond in Yumani
Maar goed, dat komt later. Eerst het Isla del Sol. Na twee dagen reizen – één taxi, vier bussen en één boot – kunnen we ons eindelijk even settelen. We hebben een primitieve kamer en voor warm water dienen we een muntje op te gooien en te hopen dat-ie op 'kop' landt, maar het uitzicht over het vlakke, rustgevende water van het Titicacameer is fantastisch. Geertje hijst zich alvast naar boven (het ‘centrum’ van het dorpje Yumani ligt nog een stuk hoger dan ons guesthouse), terwijl ik nog even aan de blog werk. Isla del Sol is een reis terug in de tijd. Huizen zijn primitief, de mensen zijn de vriendelijkste ter wereld (er zullen nog veel voorbeelden gaan volgen) en er is geen gemotoriseerd verkeer. Zelfs geen verdwaalde scooter of tuk-tuk die het eiland rond raast. Nee, alles gaat hier te voet of per ezel, want ezels zijn de auto's van Isla del Sol.
Zonsondergang
Aan de andere kant van de bergkam die het Isla del Sol over de lengte in tweeën splijt, nestelt Geertje zich op terras van Pachamama en omdat ik nog aan het typen ben, wordt mij een schitterende top-5-zonsondergang ontzegt. Aan deze kant, met de ogen op Peru gericht, daalt de zon achter de bergen die het Titicacameer flankeren. Magie bestaat.
Uiteraard gepaard met een biertje. In Bolivia lijkt er wel een behoorlijke biercultuur te zijn. Of ja, geen idee nog eigenlijk, maar dat is een uitspraak op basis van het gezuip van die lui in Copacabana en gezien het feit dat de standaardmaat van een pilsje dat hier besteld wordt, de unit van hieronder/hiernaast op de foto’s is. 620 MILLILITER. Dan denk je duur uit te zijn als je hier omgerekend vier euro voor een biertje betaalt, maar intussen krijgt Geertje gewoon een biertje voorgeschoteld dat groter is dan haar hoofd. ‘Pequeño?’ vraagt ze nog, maar nee hoor, die kleine zijn op. Je doet het maar met een normaal biertje zegt de beste man. Mocht je het je afvragen: dit is de norm, niet de uitzondering. Ondanks dat Geertje zich een beetje aso voelt met zo'n enorm biertje (waarom weet ik niet, dat hoort gewoon bij Bolivia), geniet ze met volle teugen van dit betoverende uitzicht.
Nog onwetend dat ik de prachtige voorstelling van de zon heb gemist, zet ik in het donker gewapend met een zaklamp (geen straatverlichting op het Isla del Sol) ook koers naar Geertje. Onderweg kom ik José tegen. José twijfelt of hij nou zes of zeven jaar is (z’n uiteindelijke conclusie is zeven) en als hij vraagt waar ik heen ga, biedt het zevenjarige knaapje aan om me naar Pachamama te brengen. Zó schattig! Ik zeg nee. Nee grapje, tuurlijk zeg ik ja. José dartelt als een puppy over de keien die de straatjes vormen, vraagt me het hemd van het lijf (als-ie vraagt waar ik vandaan kom, dan zijn mijn enige opties Bolivia, Peru, Chili of Brazilië, want met het antwoord ‘Países Bajos’ is-ie niet tevreden) en is het achternazitten van het licht dat m’n zaklamp op de grond schijnt, z’n nieuwe hobby geworden. Twee straten vóór Pachamama lopen we langs z’n huis. Nog een keer vertelt José me dat ik naar links en dan naar rechts moet en wenst hij me nog een heel fijne vakantie. Veeg mij maar op. Zo lief!
Eenmaal bij Geertje, help ik haar om haar tweederde liter Huari soldaat te maken en daarna zetten we koers naar een restaurantje waar Geertje graag wil eten. Lekker eten, maar ook romantisch, vertelt ze. Intussen wel geleerd dat ik moet vertrouwen op Geertjes adviezen, dus we gaan aan de wandel. Las Velas, heet het, en dit is één van de restaurants die in de bovenste regionen van het lijstje ‘aanraders’ komt te staan. Niet alleen omdat de chefkok de fijne kneepjes van Italiaans voedsel feilloos in zijn gerechten weet te verwerken, want zonder het geweldig lekker eten, is Las Velas al een ervaring op zich.
In het sprookjesbos
Ik laat Geertje navigeren. Da’s een fout die ik zo nu en dan toch blijf maken, want Geertje leidt ons aan de andere kant van de bergkam naar beneden, totaal uit de richting. Gelukkig staat er in het donker een meter of veertig boven ons een oplettende man die zich afvraagt wat we in het pikkedonker in godsnaam daar beneden gaan doen en op het antwoord ‘queremos ir al restaurante Las Velas’ lachend vertelt dat we weer terug naar boven moeten. Onthoud: de hellingen op dit eiland zijn echt intens steil en we zitten op 3800 meter (ademhalen verwordt hier tot sport) en dan kunnen we dus weer naar boven beuken. Bedankt Geertje.
Uiteindelijk wandelen we met ons zaklampje als enige hulplijn door een stuk bos, langs een steile afgrond die bij een val een zekere twaalfvoudige verzameling aan botbreuken zal betekenen en langs een varkensstal die muisstil blijft, maar natuurlijk besluit te knorren precies wanneer wij erlangs lopen waardoor we onze ogen uit onze kop schrikken. En dan in de verte, tussen de bomen van een bos, staat een klein huisje. Het enige licht is een oranje gloed, afkomstig van kaarsen achter de ramen. Alsof we in Hans en Grietje beland zijn en we hier pardoes op het huis van de heks stuiten.
Maar hier woont gelukkig geen heks, maar wel een echtpaar dat een van de meest knusse, verrassend lekkere restaurants heeft waar we ooit geweest zijn. In Las Velas is geen stroom aanwezig. Er wordt gekookt bij kaarslicht en er wordt gegeten bij kaarslicht. Ik zei het al: op het Isla del Sol gaan we terug in de tijd. En dan het eten! De chefkok houdt te oordelen aan de menukaart van de Italiaanse keuken en ik eet een geweldige lasagne en hoewel je het met pizza’s in Zuid-Amerika nooit weet, beschikt de chefkok overduidelijk wél over de kennis van het maken van pizza’s en is ook Geertje dikwijls tevreden. Onder het genot van de Duitse variant van het spelletje Keer op keer dat door onze oosterburen hier is achtergelaten, is onze eerste maaltijd in Bolivia één van de meest memorabele van de hele reis.
Wát een eerste dag in Bolivia. Wát een binnenkomer! Het idee was eigenlijk dat er op dag twee pas iets zou gebeuren, maar die eerste dag was al bizar enerverend. Na alles wat we vooral in Colombia en Peru hebben meegemaakt, hadden we niet verwacht dat onze ervaringen nog overtroffen zouden worden. Colombia en Peru waren zó mooi: daar zou zelfs nummer één op mijn bucketlist Bolivia niet meer aan kunnen tippen, maar we hebben nog geen nacht geslapen en nog geen echte activiteit ondernomen, of Bolivia is al bezig met het zetten van een heel erg grote stap. Nou, goed, we slapen redelijk uit tot half 9, schuiven aan voor het ontbijt en trekken onze wandelschoenen aan. Geertje mag dan weliswaar nog blaren (intussen opengeprikt, dus dat verlicht een heleboel) hebben van de hike in Colca Canyon: toch besluiten we vandaag om een flinke, intensieve wandeling te maken. Het Isla del Sol moet een adembenemend eiland zijn, maar dat is alleen goed te voet te verkennen. En dat gaan we doen: een wandeling rond het hele eiland.
Een rondje del sol
Isla del Sol is best groot en we lopen aan de westkant van de bergkam naar het noorden van dit langgerekte, smalle eiland en via de oostkant wat meer richting de kust weer terug naar het zuiden. Maar eerst water halen. En zonnebrand, want het mag dan behoorlijk koud zijn in de bergen: er is geen wolkje aan de lucht en we willen niet eindigen zoals na Rainbow Mountain in Peru: drie lagen en een huid zo rood als Rudolph’s neus. Als we bij het eerste winkeltje geen zonnebrand vinden, worden we meteen uit de (zonne)brand geholpen: de winkeleigenaresse zegt ons te wachten en loopt even naar huis om haar eigen zonnebrand te halen zodat we ons kunnen insmeren! Wat zijn de mensen hier weer ongelofelijk. Is dit Bolivia? Dan kunnen we wel aan de gastvrijheid wennen. Als we even later besluiten te weinig water bij ons te hebben, krijgen we ook nog gratis snoep van de volgende eigenaresse wanneer we vertellen dat we het eiland gaan rondwandelen, want suiker is goed voor de pittige en lange wandeling zegt ze en als we nog in het dorpje Yumani op een splitsing staan en ons afvragen welke afslag we moeten nemen, komen er een paar kindjes onze kant op die ons vrolijk en speels de juiste kant op sturen. Online heb ik niks bijzonders of buitensporigs gelezen over Boliviaanse gastvrijheid, maar de open armen waarmee we hier ontvangen worden, zijn ongeëvenaard tijdens al onze reizen over de hele wereld heen. Als onze dochter later met een Boliviaan thuiskomt, krijgt-ie meteen m’n zegen.
De ruta sagrada
En dan de wandeling zelf. Als we een rangschikking van pittige hikes moeten maken van deze reis, dan komt deze op plek 4 of 5. Niet de allerpittigste, maar wel de langste tot nu toe. De hoogte waarop we lopen (immer tussen 3800 en 4050 meter) maakt dat het zwaar is, maar klimmen en dalen worden lekker evenredig afgewisseld. Dat is dus wel lekker. Het is dus niet het klimmen en stijgen wat de wandeling zwaar maakt: de hoogte maakt het zwaar. Weten jullie nog? Hoe hoger, hoe minder zuurstof. De heenweg naar het noorden lopen we over de heilige route, de Ruta Sagrada. Iets ten westen van de top van de bergkam die van noord naar zuid loopt. Dit is de route met de mooiste vergezichten. De verhalen die we hebben gehoord over Isla del Sol kloppen: dit eiland is magisch mooi.
De lucht is zo blauw als de oceaan en het water zo blauw als de hemel. De horizon wordt versierd door bergen, door het water van het eindeloze Titicacameer en de wandeling die voor ons nu niet meer zo super zwaar is omdat we na weken op hoogte toch wel al gewend zijn aan extreme hoogtes, geeft ons de mogelijkheid om optimaal van dit magisch mooie eiland te genieten. Echt, het Isla del Sol is een paradijs waar moeder Natuur heel erg hard haar best voor heeft gedaan.
Terwijl je van wat kiekjes geniet, kan ik na 2500 woorden de belofte die ik de vorige blog heb gedaan, eindelijk gaan inlossen: wat maakt het Titicacameer nou zo’n bijzonder meer? Wat maakt het Isla del Sol nou zo’n bijzonder eiland? Laat ik eens beginnen met dat Titicacameer. Titicaca betekent rots van de poema in het Aymara. Geen poepende tieten dus, want uit het bovenaanzicht kan de heel erg creatieve geest een poema die een rots beklimt ontwaren door naar de contouren voor het meer te kijken. Moet je wel wat sterke drugs voor genomen hebben vinden we, maar ja, zo gaat dat altijd wanneer men vormen in bergen, rotspartijen of – in dit geval – meren weet te vinden. Maar dat is niet zo bijzonder. Het Titicacameer vormt een deel van de grens tussen Peru en Bolivia en het is het hoogst gelegen meer ter wereld waar op gevaren kan worden! Dat schijnt bijzonder te zijn, want normaal gesproken is varen op hoge hoogtes als bloed uit een steen proberen te persen. Als klap op de vuurpijl hebben we het hier ook nog eens over het grootste meer van Zuid-Amerika! En da’s duidelijk: dit meer is ongeveer zo groot als twee keer Gelderland. Als we naar de overkant proberen te kijken van het Titicacameer (noordwaarts, niet west- of oostwaarts) zien we ook geen land. Gewoon water. ’t Is echt net de zee, hé? We lopen inmiddels in ons shirtje en het is door die brandende zon echt wel warm geworden. Volgens mij zijn we echt in het Braziliaanse Copacabana.
We naderen de helft van de wandeling. Geertjes blaren beginnen meer op te spelen en ze denkt er zelfs een paar extra bij te krijgen, maar voor we daar maar al te veel bij stil kunnen staan, haalt het lot een goeie grap uit. Twee tegenliggers passeren ons en groeten ons vriendelijk. We kijken ze aan. We kijken weg. Geertje denk nog vaag iemand te herkennen van een paar maanden geleden... maar nee, dat kan niet. En dan begint de computer in de bovenkamer te werken. Die gezichten… die kennen we. We draaien om. Bij onze tegenliggers gebeurde hetzelfde in de bovenkamers. Het zijn Anne en Tom! Geertje had dus toch gelijk! Bij jullie zal er nog geen lampje branden, maar kijk maar even terug in de blog over San Blas over de oversteek van Panama naar Colombia. Hier, op het niet eens zo toeristische, bergachtige, koude Isla del Sol, lopen we ongepland, zonder communicatie drie maanden na onze gezamenlijke trip op de tropische eilanden van Panama, bijna vierduizend kilometer naar het zuiden opeens onze Nieuw-Zeelandse vrienden tegen het lijf! Het lot moet vandaag een jolige bui gehad hebben.
De kustroute
We kletsen een kwartiertje bij, maar Anne en Tom moeten door omdat ze vandaag nog de boot naar Copacabana willen halen. In het pittoreske dorpje Challapampa aan de oostkust van het eiland waar niet meer dan twintig man en anderhalve paardenkop wonen, houden we een welverdiende lunchpauze. We zijn al een stukje over de helft van de intensieve, maar prachtige wandeling over dit wonderbaarlijke eiland en na een biertje en een sandwich van avocado die we delen (welke prima smaakte, maar wel één die mijn pasgeboren neefje van vier maanden ook wel in elkaar had kunnen knutselen (ach, wat verwachten we hier ook?)), wandelen we zuidwaarts langs de oostkust van het eiland. Niet meer zo hoog en niet meer de prachtige vergezichten van de Ruta Sagrada op de heenweg, maar een intiemere kustwandeling, door bossen en door kleine nederzettingen die uit de Middeleeuwen lijken te komen, waar we het leven van alledag op het Isla del Sol in volle glorie mogen aanschouwen. Cholita’s die gehurkt hun oogst verzamelen, en mannen die met zwaarbepakte ezels over het ruige terrein manoeuvreren. De klimmen van de route aan de oostkant zijn steiler en de dalen zijn dieper en Geertjes immer groeiende (bloed)blarenverzameling maakt de wandeling niet makkelijker, maar hoe tegenstrijdig dit dan ook klinkt: toch gaat de wandeling ons nog altijd redelijk makkelijk af. Vanaf Challapampa kun je met een local mee op de boot terug naar Yumani en er is een man die ons vraagt om een boot te delen. Geertje heeft met haar blaren wat manke momenten dus stel ik het nog voor, maar Geertje wil de wandeling afmaken zoals we dat hebben gepland. We gaan dus door. Wandelend! Ondanks de pijn van Geertje, gaat het best prima en genieten doen we dus met volle teugen van alle dorpjes waar we doorheen lopen en het uitzicht.
Nu je weet waarom dat Titicacameer zo bijzonder is, is het de beurt aan het Isla del Sol zelf. Met beperkt Spaans kun je vast al wel achterhalen dat Isla del Sol naar het Nederlands vertaalt het Eiland van de Zon oplevert. Waarom? Nou, laat me eens vertellen dat de beschaving van de Inca’s volgens de legendes en verhalen op dit eiland is ontstaan. Verrassend hé? Er wordt moord en brandt geschreeuwd over de Inca’s in buurland Peru, maar die dekselse beschaving kent z’n oorsprong gewoon in Bolivia! De belangrijkste god van de Inca’s was Inti, de god van de zon. Deze zoveelste incarnatie van een zonnegod kent z’n geboorte, en daarmee de geboorte van het Incarijk, op het eiland waar wij nu lopen!
Vet cool natuurlijk, maar de Peruaanse associatie met Inca’s is natuurlijk wel meer dan terecht. Alles van die Inca’s ligt in Peru en Bolivia, maar grotendeels in Peru, natuurlijk. Bovendien scheelt het maar driekwart scheet of dat Isla del Sol had in buurland Peru gelegen. Zelfs onze telefoons lijden aan een identiteitscrisis: om de haverklap springt de klok weer een uur terug naar de Peruaanse tijd, om vervolgens weer een uur naar voren in de Boliviaanse te springen. We weten soms maar half hoe laat het is. Kijk maar op de kaart: als ik nu een steen pak, m’n arm rondzwaai als de wieken van een molen en die steen gooi, is er een behoorlijke kans dat-ie op Peruaans grondgebied landt.
Bijkomen
De wandeling zit erop! Zodra we onze Huari bij Pachamama (ik wil nu ook die zonsondergang zien) moe maar voldaan openen en op de stappenteller kijken, kunnen we concluderen dat we blijkbaar hebben besloten om op onze eerste volledige dag in Bolivia op gemiddeld 3900 meter boven de zeespiegel, terwijl Geertje druk bezig is geweest met het uitbreiden van haar blarenverzameling, een nieuwe stappenrecord van deze reis te klokken. 32.000 stappen! Mocht het je boeien: op plek 5 staat onze wandeldag in Jardín, op plek 4 fietst de hike (inclusief extra omweg) naar La India Dormida in Panama op Geertjes verjaardag naar binnen, op plek 3 komt de hike in de Colca Canyon (luttele dagen geleden) en op plek 2 de hike in Huaraz naar Laguna 513 (de zwaarste van allemaal). Maar dat we bijna 30 kilometer af zouden leggen en inclusief Geertjes (bloed)blaren het er toch relatief eenvoudig vanaf hebben gebracht, zeker als je bedenkt dat Geertje zeker zes verschillende (bloed)blaren heeft, verrast ons in zéér positieve zin!
In onhandige houding proberen we onszelf tijdens de fenomenale zonsondergang in een selfiehouding te manoeuvreren, wanneer een meisje een tafel naast ons besluit ons uit de brand te helpen door van ons een foto te maken. Even later zijn de rollen omgedraaid en besluit Geertje een helpende hand te bieden aan onze buurvrouw en dat is de manier waarop nieuwe connecties blijkbaar ontstaan. Niet veel later is de Zweeds-Irakese Sandra uit Malmö bij ons aangeschoven!
Sandra en ik moffelen die avond een forel naar binnen (specialiteit rondom het Titicacameer) terwijl Geertje zich aan een kipfilet te goed doet. Het is weer bijzonder gezellig met de praatgrage Sandra met wiens energie het moeilijk voor te stellen is dat je er een saaie avond mee zou kunnen hebben. Er wordt gelachen, er wordt gegeten en er worden tot in den treure verhalen gedeeld en we ontdekken zelfs dat wij in haar geboortestad een bezienswaardigheid hebben bezocht die Sandra zelf niet bezocht heeft. Na een geweldig gezellige avond lopen we onder een fabelachtige sterrenhemel de zware, steile trappen terug naar onze guesthouses en nemen we afscheid. Sandra zien we niet meer – althans, deze reis niet. Zoals bij alle leuke mensen die we ontmoeten, verschillen onze reisroutes. Maar goed: wie weet, tot ooit.
Reactie plaatsen
Reacties