“Wie alle trappen van Valparaíso trotseert, heeft de wereld rondgelopen.’ Dat zei Pablo Neruda ooit, een bekende dichter die ergens op de heuvels van deze kleurrijke, bruisende kuststad woonde. Nog geen vierentwintig uur nadat we bij de Chileense douane voor de derde keer een Chileens stempel in ons paspoort hebben gezet (we gaan sowieso flexen met het feit dat we ‘drie keer in Chili’ geweest zijn) is het al duidelijk waar die uitspraak van Neruda vandaan komt. Iedere Europese stad ooit is gebouwd op zeven heuvels. Dat claimt Rome, dat claimt Istanbul en dat claimen er nog veel meer. Maar dat is slechts claimen, want het getal 7 is zo’n heilig getal en bewijzen lukt vaak maar moeilijk. Valparaíso? Gebouwd op 42 heuvels. En die hebben ze geteld en het is nog waar ook. Hoe dat nou zo komt? Daar kom ik zo op.
Balen in de bergen
Met de grensovergang hebben we geluk. Na het zetten van de stempel, ontvouwt zich een winterwonderland aan Chileense zijde. Hoge bergen die van top tot teen in sneeuw gehuld gaan. Geertje is door het dolle heen en als het had gekund had ze de kerstspullen van zolder gehaald, want er gebeurt iets in het hoofd van dat mens bij het zien van sneeuw wat niet in woorden uit te leggen valt. Hierboven zeg ik 'geluk', omdat het in de maanden juni, juli en augustus niet ondenkbaar is dat El Paso Los Libertadores gesloten is wegens hevige sneeuwval. Wat zeg ik? De grensovergang is pas een weekje weer open en als God zou besluiten een overvloed aan sneeuw neer te laten dwarrelen in de Argentijns-Chileense bergen van de Andes, dan zouden we halsoverkop een veel te duur vliegticket moeten boeken (prijzen vervijfvoudigen bij een grenssluiting) en tijd om te wachten in Mendoza hadden we door de geplande vlucht naar Nieuw-Zeeland niet. Geluk hebben we dus.
Het is een frustrerende route. We hebben niet naar het schema van het Nederlands elftal gekeken en terwijl we in de bus zitten, spelen we een fenomenale wedstrijd tegen Zweden waar wij niks van meekrijgen. De bus is wifiloos (veel bussen in Zuid-Amerika hebben wel wifi), dus kocht ik een flinke bundel internet die ik lekker op een livestream van ZiggoGo kon botvieren, maar het internet is zo slecht dat Frenkie de Jong één keer kan kappen of draaien voordat het scherm volledig bevriest. Gelukkig is de route wel mooi. Vlak na het passeren van de grens, dalen we af via de Cuesta Caracoles. Zeventien haarspeldbochten die indrukwekkend als een bruiloftstaart opgestapeld liggen. Zuid-Amerikaanse natuur: wauwiejauwie.
De paradox van Valparaíso
Dan zijn we in Valparaíso. In veel lijkt Valparaíso heel veel op een Zuid-Amerikaanse stad, maar tegelijkertijd in heel veel dingen ook weer totaal niet. Het voelt in ieder geval niet als een Chileense stad, dat is duidelijk. Het is druk en chaotisch en op straat reikt het aantal straatverkopers weer tot in de honderdtallen en is het een wirwar van bedrijvigheid en een mierennest aan mensen die soms doet denken alsof we in Azië rondlopen. Ook in de taxi is het een en al toeters en bellen en passen en meten is een eigenschap die een chauffeur in Valparaíso móét bezitten om zonder schade van A naar B te komen. Als we dat drukke, bezige havenstuk uit zijn, rijden we de Cerro Carcél op, één van die tweeënveertig heuvels waar Valparaíso op gebouwd is. En daar is het plotsklaps een oase van rust.
Die tweeënveertig heuvels. Valparaíso is volkomen logisch en compleet onlogisch tegelijkertijd. Valparaíso ligt aan de kust van een natuurlijke haven. Een klein anderhalf uur landinwaarts ligt, relatief dichtbij, de Chileense hoofdstad Santiago. Het is compleet logisch dat Santiago toegang wil tot een haven en dat is waar Valparaíso het speelveld betreedt: een natuurlijke haven die zich perfect leent voor toegang tot de zee voor de enorme hoofdstad die wat verder landinwaarts ligt. En zo ontstaat Valparaíso: een havenstad aan het water. Logisch toch?
Wat minder logisch is de kustlijn van Valparaíso. Heuvels, heuvels en nog een keer heuvels. Dat leent zich natuurlijk totaal niet voor een dichtbevolkte stad. Gelukkig is er één vlak kuststuk waar de haven van Valparaíso werd gebouwd, maar verder uitbreiden kan natuurlijk niet. Nou, toch wel. Waar je een haven bouwt, wordt werkgelegenheid gecreëerd en waar werkgelegenheid wordt gecreëerd, willen mensen wonen. Dat gebeurt dus toch en het gevolg is een stad zoals we die nog nooit gezien hebben. Waar iedere Zuid-Amerikaanse stad (of iedere Amerikaanse stad, kan ik beter zeggen) zich kenmerkt door een geordend vierkant grid van straten en blokken die het navigeren makkelijk maken, is Valparaíso het complete tegenovergestelde. Kronkelende wegen met haarspeldbochten midden in woonwijken, steegjes die van links naar rechts en weer naar links en weer naar rechts gaan en een geheel dat een doolhof vormt waar alleen de gevorderde navigator zijn weg in vindt. En trappen. HEEL. VEEL. TRAPPEN. Allemaal door die 42 cerro’s. Op dag één wordt al retesnel duidelijk dat slenteren door Valparaíso topsport op zich is. Pablo Neruda had gelijk: als je hier alle trappen zoekt en ze allemaal beloopt, heb je een rondje rondom de wereld afgelegd.
Zo niet-Zuid-Amerikaans als dat is, is de stad tegelijkertijd ook zo Zuid-Amerikaans als je je maar kunt voorstellen. Muziek is hoorbaar op iedere hoek van iedere straat, de bedrijvigheid knalt door de lucht en Valparaíso is zo kleurrijk als het Colombiaanse Cartagena en de hoeveelheid streetart die je in Valparaíso vindt, slaat Bogotá compleet uit het veld, een stad die nota bene om streetart bekendstaat. Want dat is Valparaíso: een groot, schilderij en de straten en muren van Valparaíso vormen het doek waarop geschilderd wordt.
Een havenstad betekent wel dat Valparaíso een ruige stad is. Geertje wilde nog boodschappen doen voor het avondeten - 35 minuten wandelend heen, Uber terug. Dat blijkt geen goed idee te zijn, want de avond begint al te vallen en er zijn veel cerro's in Valparaíso die veilig zijn, maar er zijn er ook genoeg waar je 's avonds niet alleen als vrouw wil lopen en als je 35 minuten wandelt is de kans toch aanzienlijk dat je als onbekende in een nieuwe stad de verkeerde heuvel opwandelt. Oké, dan maar twee keer de Uber en dat flesje wijn soldaat maken dat we van Sascha (hij heette geen Sergio hebben we ontdekt) hebben gekregen in Cafayate.
Op verkenning in de logisch onlogische stad
We starten onze dag op met een koffie bij het appartement, maar het duurt niet lang voordat we de deur uitgaan. We vermaken ons vandaag op de twee heuvels die naast het havengebied waar we gisteren begonnen het hart van de stad vormen: Cerro Concepción en Cerro Alegre. Meteen raken we verliefd op deze prachtige, indrukwekkende stad. Dit is een stad waarin je verdwaald raakt op de kleurrijke trappen, in de krappe, beschilderde steegjes en in de kronkelige straatjes die vaak óf recht omhoog óf recht naar beneden lopen. Het is geen rustige dag, want naast zondag 21 juni is het ook nog eens vaderdag, de nationale feestdag van de inheemse volkeren van Chili en de eerste officiële dag van de winter op het zuidelijk halfrond. We vinden ook toeristen. Geen westerse, maar Japanse en Chinese toeristengroepen. Geef ze eens ongelijk. Als we onze eerste koffie drinken met een prachtig uitzicht op één van de vele heuvels en de haven in de verte, kunnen ook wij de enige juiste conclusie trekken: Valparaíso is prachtig.
Plaza Sotomayor
Ook als we steil naar beneden gaan en in het vlakkere gedeelte van Valparaíso belanden. Sotomayor is een plein waarop we Chili weer als Chili herkennen. Reinheid, structuur, potsierlijk en wellicht een tikkeltje pompeus. Een statig plein met de meest prachtige gebouwen waarin het koloniale paleis dat vandaag de dag de Chileense marine huisvest, erbovenuit springt. Een markt waarin we alle toeristische waren tegenkomen die we ons maar kunnen wensen, vormt de ene helft van het plein die van de andere kant gescheiden wordt door een weg. Op de andere helft van het plein staat een enorm, blinkend monument met een aantal standbeelden van de zeehelden in de Strijd van Iquique. Voor degenen met een goed geheugen: die oorlog tussen Bolivia, Peru en Chili om de Atacama in het noorden, toen salpeter even de smaak van de maand was, waar Chili als winnaar uit de bus kwam. Compleet anders dan de haven van Valparaíso. Compleet anders dan de kleurrijke heuvels Concepción en Alegre.
De heuvelliften van Valparaíso
Daarna wandelen we weer terug naar boven. Die steile trappen omlaag zitten nog héél vers in ons geheugen, maar gelukkig heeft Valparaíso een plan bedacht voor luiwammesen zoals Geertje en ik (oké, dat is niet waar, want onze stappenteller gaat bijna dagelijks over de 10.000 en dat is heerlijk). De Ascensores de Valparaíso! Heerlijk: liften die aan de hellingen van de heuvels (je vindt ze overal) zijn gebouwd om die kuitjes een beetje te ontlasten. Als bewoner van Valparaíso lijkt het me een hel om iedere keer maar heuvel op, heuvel af te denderen. Buiten het feit dat je daar metalen bovenbenen van krijgt, lijkt me dat daar geen enkel ander voordeel aan vastzit. Die liften bieden dus wel uitkomst, maar het is zondag (en niet zomaar een willekeurige zondag, zoals je weet), dus het is druk. Minimaal één lift willen we wel genomen hebben, dus we trotseren de wachtrij en de beloning is daar. Buiten dat het ons een stevige klim bespaart, is het uitzicht ook geweldig en is het net een kermisattractie waar we voor 1 euro per persoon in plaatsnemen. Eenmaal boven is de rij naar beneden iets korter. Slechts vijf mensen, volledig gevormd door de leden van één gezin, willen met de Ascensor naar beneden. Tja, men loopt nou eenmaal liever een trap af dan op.
De magie van de Pasajes
Na de lift is het aan één stuk door genieten geblazen. We wandelen door de verschillende Pasajes, die krappe, kleine, kronkelige steegjes die een wonderbaarlijk autovrij geheel zijn van de meest kleurrijke streetart en graffiti die je je maar kunt voorstellen, die ogenschijnlijk naadloos in elkaar overlopen, waar het bruist van de straatmuzikanten die hun instrumenten bespelen, waar handelaars hun prachtige handgemaakte souvenirs tentoonstellen, waar te pas en te onpas in een van de gipsplaten huizen een hip café te vinden is. Want dat zijn de cerro’s Alegre en Concepción ook: van oudsher arme buurten waar havenlui kwamen wonen die hun huizen van gipsplaten bouwden en om de huizen tegen de zoute zee en de lucht te beschermen werden de huizen met alle verfresten beschilderd die ze nog op hun boten hadden liggen, waardoor de huizen vandaag de dag op die paar plekken waar geen kunstzinnige streetart gespoten is, alsnog in felle regenboogkleuren op de heuvels pronken. En die gipsplaten gekleurde huizen? Waar dat vroeger gebruikt werd doordat de armen zoveel mogelijk geld konden besparen op de bouw van hun huizen, zijn dat nu de decors voor de hipste cafés en industrieel-chique barretjes die deze stad zo uniek maken.
Het is wonderbaarlijk hoe de onlogische logica van Valparaíso op deze heuvels een geheel vormt. De Pasajes Gálvez, Yugoslavo en Gervasoni zijn levendige, knusse kleurbommen van steegjes waar de tijd doden door te zitten en te kijken bijna tot hobby verwordt. Het zijn straatjes die kronkelen en door elkaar heenlopen, waar je geen moeite hoeft te doen om te verdwalen. Na met open mond onszelf te vergapen aan de prachtige, kunstzinnige straatkunst, staan we dus ook pardoes weer voor het koffietentje waar we onze dag begonnen. Hoe we er kwamen, zouden we niet eens meer weten, maar Geertje lacht zich er rot om. Het vakantiegevoel dat na maanden van reizen altijd een beetje wegebt, komt hier in z’n volle glorie weer terug. In Valparaíso voelt het met de winterzon op onze huid weer alsof we op vakantie zijn. Een voordeel aan zuidelijk Zuid-Amerika in onze zomermaanden: het mag dan wel koud zijn, we zitten wel in het laagseizoen dus het toerisme staat op een laag pitje en in de Zuid-Amerikaanse winter valt er tien keer zo weinig regen als in de zomer, dus ondanks de lage temperatuur, voelt het door de blauwe lucht en het heerlijke zonnetje een stuk warmer.
Via de pianotrap in de toepassend genaamde straat Beethoven, sluiten we onze dag in verrassend Valparaíso af in de Pasaje Dimalow waar de meeste restaurants en barretjes te vinden zijn. Vanaf Mendoza zijn we weer de Andes overgestoken naar de kustzijde van de bergen en dat vertaalt zich weer naar de keuken. Kijk, de Argentijnse keuken staat na Peruaanse bovenaan, maar die ceviches? Die hebben we gemist en niet als kiespijn. Met een uitzicht over de haven, de stad en de zee sluiten we een dag die alle verwachtingen heeft overtroffen met een kakelverse ceviche van tonijn en een tartaar van zalm af. Of ja, de trek is maar deels gestild, dus even later nemen we plaats aan het tafeltje van een pizzazaak om samen nog een cuatro stagioni in vieren te delen. Daarna hebben we écht genoeg gehad.
Naast een fantastisch stadscentrum beschikt Valparaíso ook nog over wijngaarden. We hebben de mond vol gehad over de heerlijke Malbec en Torrontés die we bij Chili’s oosterburen meermaals achterover gegooid hebben, maar Chili staat natuurlijk ook bekend om de wijnen en daar hebben we tijdens onze tijd in Noord-Chili eigenlijk geen gehoor aan gegeven. Logisch natuurlijk, want die Atacama leent zich qua flora nog niet voor een brandnetel en de echte Chileense wijnregio vind je hier, waar het groener wordt en waar er ’s zomers wél regen valt. Wijnen en Chili zijn ook een gelukkig huwelijk. Dat weten we al vanuit Nederland en ik denk de meesten van jullie ook: wie heeft er nou niet ooit op een zaterdagavond een Gato Negro opengedraaid? Nou, de meeste van jullie wel en zoals de Chileense Gato Negro zijn er nog veel meer wijnen die uit dit langwerpige lollystokje van Zuid-Amerika afkomstig zijn. Na Cachi, Cafayate en Mendoza ligt de lat intussen hoog, maar in Casablanca, het dorp dat veertig minuten buiten Valparaíso ligt dat vooral bekend staat om de witte wijnen, verwachten wij dat deze ervaring die drie Argentijnse gaat overtreffen. Waarom? Dat zal ik je straks haarfijn uit gaan leggen.
De wijngaarden van Casablanca
Eerst Casablanca. De Chileense variant. We zijn niet opeens in Marokko. We nemen een bus vanaf het centraal station in Valparaíso en stappen aan de rand van de stad uit. ChatGPT gaf ons de tip die bus te nemen en vanaf Casablanca een Uber te regelen, maar dat blijkt eens te meer klinkklare onzin te zijn. De kans op een Uber is in Casablanca net zo groot als de kans op het succesvol plannen van een koffieafspraak met kennissen binnen drie weken. Niet onmogelijk, maar wel heel klein, dus. Casablanca is bekend om haar wijngaarden, maar niet om het dorp zelf. Het is er niet lelijk, maar Casablanca is misschien wel het meest normale, dertien-in-een-dozijndorp dat we in heel Zuid-Amerika gezien hebben. Leuk dorpje, maar zo normaal als je je maar kunt voorstellen. Toeristen gaan rechtstreeks naar de wijngaarden buiten het dorp en wanneer we koffie bestellen bij een leuk koffietentje, is de serveerster helemaal door het dolle heen om twee Europeanen te helpen. Op straat zijn de glimlachen nog breder dan de A2 richting Amsterdam en aan alles en iedereen merk je dat je bijzonder welkom bent. Het is mede daarom dat we besluiten om het stuk naar de wijngaard die we willen bezoeken, te lopen in plaats van tevergeefs te zoeken naar een Uber of een taxi. De benenwagen hoeft immers maar 45 minuten te functioneren, ontdekken we al snel. Gek, in Nederland hadden we er sowieso de auto voor gepakt, maar hier draaien we ons hoofd niet voor zo’n wandelingetje om. Lekkere wandeling waar de stappenteller van gaat kwispelen en we besparen nog een centje ook. Wat zijn we toch sportief, hé.
Wijn boven onze stand
De eindbestemming en enige bestemming van vandaag is Viña Casas del Bosque, en de complete entourage eromheen verraadt al meteen dat het etablissement waar we binnenlopen er een van de buitencategorie is. Een reservering vooraf was nodig en daar moest minimaal 48 uur van tevoren. Eigenlijk wilden we dus al gisteren gaan, maar dat kon vanwege de tijd dus niet, dus dan maar vandaag. Die reserveertijd is denk ik om de exclusiviteit van deze wijngaard te waarborgen: een enorme, witte, statige muur beschermt de wijngaard tegen ongewenste pottenkijkers, maar na onze paspoortgegevens aan de vriendelijke meneer met piepstem bij de slagboom gegeven te hebben, lopen we een lange oprit af door een prachtige tuin die tot in de kleinste details is gedecoreerd en waar over iedere vierkante centimeter lijkt nagedacht. Mijn schoonvader die een hoveniersbedrijf heeft, zou er van onder de indruk zijn. Dat was ook wel naar verwachting. Want was de verwachting? Nou, dat Casas del Bosque alle vorige wijngaarden zou overtreffen, weet je nog? Waarom? Nou, Casas del Bosque is het grootste bedrijf van deze regio, staat enorm hoog aangeschreven wereldwijd en het restaurant dat bij de wijngaard te vinden is (waar wij ook gaan eten!) schijnt in de top 20 van wijnrestaurants over DE HELE WERELD te staan. Nou ben ik wel heel benieuwd of de gastronomie van deze tent tegen een frietje oorlog met een frikandel speciaal kan opboksen.
Voordat we dat oordeel gaan vellen, krijgen we een rondleiding. Casas del Bosque is een plek voor het hogere segment van onze samenleving, leren we al snel. Benjamin is onze gids en weet op alle vragen meteen een feilloos antwoord te geven. Niet dat wij zo’n wijnkenners zijn en dat mijn vragen hem ook maar enige uitdaging bieden, maar ons tourgroepje is drie in plaats van twee neuzen groot. Naast ons staat de gepensioneerde Amerikaanse diplomaat uit de staat New York die naar de naam Anthony luistert. Een strenge bril, een scherpe blik. Een keurig jasje waarvoor een bedrag van minimaal vier cijfers is neergelegd, de broek keurig in de plooi, een riem om de look wat extra schwung te geven en schoentjes waar zelfs na de wandeling door het zand nog geen vlekje op te vinden is. Er is ook geen hogere wiskunde voor nodig om binnen tien minuten de conclusie te trekken dat Anthony wel kaas gegeten heeft van wijn en dat dit verre van zijn eerste rodeo is als het om wijngaarden gaat. Deze man heeft verstand en dat laat-ie merken ook, maar onze Chileense kameraad Benjamin is qua kennis prima tegen ‘m opgewassen en de wijnconversatie tussen de twee is van niveau: alsof we in groep zes zitten en we een hoorcollege geneeskunde op de universiteit mogen bijwonen. Gelukkig hoeven we ons niet te vaak te mengen in de hogere wijnkennis die deze twee heren bezitten, volstaat het om met ernstige blikken constant 'ja' te knikken en botvieren we onze ogen maar op de enorme zalen waarin tonnen wijn opgeslagen staan, op de wijnranken die eindeloos tot in de heuvels lijken te reiken en over de prachtige tuin waar over ieder plantje een minimaal tienkoppige vergadering plaatsgevonden lijkt te hebben. En stiekem pikken we van Benjamin en Anthony toch nog de nodige informatie mee.
Dan volgt de proeverij. We leren van Benjamin (en van Anthony) hoe we in de wijnen zogenaamde legs of angel wings kunnen spotten – een soort stalactieten in de wijn die iets zeggen over de hoeveelheid alcohol en suiker. We proeven vier verschillende wijnen: twee rode en twee witte. Ik heb al gezegd: vergeleken met Anthony en Benjamin zijn we totaal geen wijnkenners, maar ik heb nog nooit zo veel verschil geproefd tussen twee witte en twee rode wijnen. Ook is het hier bij de proeverij waar we ontdekken dat die Anthony, ondanks zijn pompeuze look en zijn overdaad aan kennis (ik bedoel, continu feitjes en weetjes vertellen aan anderen is iets wat mij toch wel héél bekend voorkomt…), eigenlijk best wel een prima snuiter is. Hoe protserig hij ook mag zijn: dat is gewoon hoe die is, want hoewel hij boeiende verhalen verteld over zichzelf (en het is nog behoorlijk interessant ook, omdat hij in de Balkan en Rusland als diplomaat heeft gezeten tijdens de Koude Oorlog – vet), is hij ook bijzonder geïnteresseerd in wat ons hier brengt, waar wij geweest zijn en hoe indrukwekkend hij het vindt dat wij deze reis maken. Tijdens de rondleiding was ik nog bang dat hij met een onverwachts S.O. zou komen tijdens de proeverij, maar dat blijft ons bespaard. Anthony, jij ouwe, kitscherige kornuit: je mag er best wel wezen.
Dan volgt de lunch. Mag ik zeggen dat dit de meest unieke, uitgebreide lunch aller tijden gaat worden? Ja, dat mag ik zeggen. Wie houdt me tegen? En bovendien is dat ook gewoon zo. Aan een tafel op een buitenterras zijn we naar mijn mening (Geertje vindt het wel meevallen) zwaar underdressed. Om ons heen zitten naast een paar casual geklede mensen ook mannen in pakken en vrouwen in jurken en wij schuiven aan met cargo pants en winddichte hikejassen. Maar goed, de lunch smaakt er niet minder om. We kiezen voor de 85.000 peso’s kostende zesgangenlunch. 82 euro. Per persoon. Nogal aan de prijs, maar met de gedachte dat de tijd onze grootste vijand is in de paar dagen die ons nog resten op het Zuid-Amerikaanse continent, hebben we het besluit toch genomen. Kleine gerechtjes die de smaakpapillen trakteren op een full body massage met een bijpassende wijn voor iedere gang. Ik zal ze even op een rijtje zetten: forelcarpaccio met een of andere lokale kaas, een tartaar van een ons onbekende vis, een soort kekke pasta in een super smaakvolle vleesjus, een beef brisket gepaard met een soort orso met heerlijke stukjes spek, een carpaccio van rode druiven en bolletje ijs met een soort cheesecakeje. Aan de bijpassende wijnen ga ik me niet eens wagen, maar ik wil wel even vermelden dat we La Trampa, het dure wijntje dat hét paradepaardje is van alle wijnen die Casas del Bosque rijk is, ook geprobeerd hebben. Het ene gerecht is nog lekkerder dan het andere. Evenals de wijnen. Of het de 82 euro waard is? Wat mij betreft is eten nooit, maar dan ook nooit zo veel geld waard, maar ik denk niet dat we ooit zo lekker geluncht hebben. Misschien was het eten dan dus wel het geld waard.
Een taxi zet ons weer af aan het dorpspleintje van Casablanca waar we op de bus wachten. We zijn een beetje teut, want een proeverij van vier wijnen en een lunch met vijf bijpassende wijnen (zes gangen, maar ik vergat even te vermelden dat de druivencarpaccio een aangename wijnpauze inlaste) zorgen ervoor dat die scherpte er een beetje afgaat. Het is tijd om terug te gaan naar Valparaíso. We beginnen al tegen de avond te lopen en morgen vertrekken we naar onze laatste bestemming in Zuid-Amerika, maar toch merken we dat we nog niet klaar zijn met Valparaíso, het stadje waar we weinig van verwacht hadden, maar dat ons compleet heeft weten te betoveren in twee dagen tijd. Dus we duiken nog even die heuvels op.
Afscheid van Valparaíso
Maar eerst doen we boodschappen. De bushalte bevindt zich aan de rand van het havengebied. Weet je nog dat ik zei dat Valparaíso totaal niet Chileens aanvoelde? Nou, dat was zo omdat we arriveerden in dat havengebied. Waar de kleurrijke heuvels sfeervol, kleurrijk en gezellig zijn, is het havengebied vlak en plat, hectisch, chaotisch en bruisend. Een wirwar van alle type mensen die je maar kunt bedenken en een ruig randje dat het heerlijk maakt om je ogen even goed de kost te geven. Toch geven we na het doen van de boodschappen de voorkeur aan de cerro’s met haar kleurexplosies in haar smalle, knusse pasajes. Nog één biertje en wijntje onder het genot van Frankrijk – Irak op een tv-scherm. Nog één keer onszelf vergapen aan de streetart. Nog één keer luisteren naar de straatmuzikanten op de hoeken van de straten. Nog één keer met volle teugen genieten van de wonderbaarlijke heuvels van het logische doch onlogische Valparaíso. En daarna weer die ellenlange trappen op en af. Pablo Neruda had gelijk, wie alle trappen van Valparaíso afloopt, heeft een rondje om de wereld gemaakt. En hier staan wij, het einde van onze reis door Zuid-Amerika naderend met alle continenten minus Antarctica van onze bucketlist gestreept. De trappen naar beneden denderend richting ons warme bedje, beseffen ook wij: we hebben een rondje om de wereld gemaakt.
Reactie plaatsen
Reacties