Op pad met Swifty! Swifty is een tijdelijke naam omdat onze witte Suzuki Swift haar naam nog steeds niet aan ons verteld heeft. Swifty gaat wel als de brandweer: gracieus bestrijkt deze automaat de linkerhelft van de wegen en zijn we Auckland uit voordat we ook maar één nummer van Taylor Swift hebben kunnen draaien. Dat zegt meer over onze afspeellijst dan over de snelheid van de auto, maar toch. De roadtrip door Nieuw-Zeeland is de laatste en de langste roadtrip van de vier die we gedaan hebben, en als ware het een bewuste opbouw, is iedere nieuwe roadtrip net wat langer dan de andere. Zorro hadden we twee dagen in Peru, Snowie twee weken in Chili. Daarna kwam Olaf van wie we zestien dagen genoten in Argentinië en nu is het dus een Suzuki Swift die ons in bijna drie weken van Auckland naar Christchurch mag brengen. Onze eerste stop op de roadtrip is het schiereiland Coromandel ten noordoosten van Auckland, maar als je de titel leest, zie je daar de naam Coromandel niet terugkomen. Nou, ik was dus ook echt een beetje met mezelf in de knoop over de titel van deze blog. Tijdens de eerste twee dagen van onze roadtrip die ik in deze blog ga beschrijven, rijden we van hot naar her en daarna nog een keer naar hot. We steken het Noordereiland soms onlogisch kriskras over tijdens die eerste twee dagen. En toen kwam ik erachter dat alle locaties die we bezoeken in de eerste twee dagen in de zogenaamde Waikato Region liggen. De Waikato Region! We zijn die regio bij het plaatsen van deze blog alweer uit en daarvoor hadden we er nog nooit van gehoord, ook niet toen we er dwars doorheen reden. Maar hey, die naam leent zich perfect voor de titel van de blog, toch?
Onze roadtrip door Nieuw-Zeeland duurt maar 19 dagen. Degenen die ooit in Nieuw-Zeeland zijn geweest, zullen beamen dat dat weinig tijd is om het land in z’n geheel te ontdekken. Te weinig tijd, misschien zelfs, en ergens te weinig tijd hebben is voor ons heel onorthodox. Doorgaans nemen wij veel meer tijd dan de gemiddelde reiziger om plekken goed te verkennen, dus in Nieuw-Zeeland gaan we tegen onze natuur in juist snel door het land heen. Dat zag je misschien al aan de vorige blog waar we maar één dag in Auckland hebben gespendeerd. Eén van de keuzes die we maken, is om ons vooral op het Noordereiland te focussen (13 dagen) in plaats van het Zuidereiland (6 dagen, vanwege de weersomstandigheden op het mooie Zuidereiland in de Nieuw-Zeelandse winter). Onze eindbestemming zal Christchurch, een stad halverwege het Zuidereiland zijn vanwaar we weer verder vliegen. We zien dus wel wat van het Zuidereiland, maar de focus ligt vooral dankzij de Nieuw-Zeelandse winter waar we nu in zitten, op het Noordereiland.
Noordereiland en Zuidereiland. Voordat ik verder ga, wil ik even een polemiek schrijven over de naamkeuze van de twee grote eilanden in de Stille Oceaan die samen Nieuw-Zeeland vormen. Want effe serieus: iedereen die ik ken heeft wel een bepaald beeld bij Nieuw-Zeeland, want het land is koning in imago-export als je het mij vraagt. Of je het nou over de imposante haka hebt of over het legendarische rugbyteam The All Blacks. Of het nu gaat over de duizelingwekkende natuur waar Nieuw-Zeeland bekend om staat, om de kiwi-vogel of een van de vele locaties waar The Lord of the Rings is opgenomen. Iedereen heeft wel een bepaald beeld bij Nieuw-Zeeland. Een bepaalde associatie. En bijna al die associaties zijn op een bepaalde manier positieve, bijna mythische associaties. Die PR-machine van Nieuw-Zeeland draait op volle toeren. En die associaties zijn geen valse vooroordelen, overigens. Ze bestaan allemaal echt en je vindt ze allemaal terug op de twee eilanden van Nieuw-Zeeland. Het Noordereiland en het Zuidereiland. En daarmee spat mijn sprookje dus ook uiteen als een luchtbel waar je met een punaise in prikt. Het Noordereiland. Het Zuidereiland. Voor een land dat gehuld gaat in zó veel mystiek en allure, is de naamkeuze voor de twee hoofdeilanden de meest luie, saaie aller tijden. Hoe kun je in godsnaam twee eilanden die zó uiteenlopend en verschillend zijn van elkaar, eilanden die zo veel moois te bieden hebben, in vredesnaam zulke slaapverwekkend saaie namen toebedelen? Echt, ze hadden beter de inheemse namen kunnen gebruiken, want als men niet beter wist, liep niemand warm van deze twee zielloze namen die de schoonheid van de eilanden in de verste verte geen recht aan doen.
Coromandel
Maar goed, het Noordereiland dus en dan wel specifiek de Waikato Region (blijkbaar) die grofweg ten zuidoosten van Auckland ligt en ook aan de stad grenst. Dat Coromandel is een schiereiland en de weg ernaartoe is een leuke, bochtige route door de glooiende, groene heuvels van het Nieuw-Zeelandse platteland. Een boerderijtje hier, een bosje daar. Je krijgt er een beetje World 1-vibes van een willekeurig Super Mario-spel van. Van die beginnerswerelden waar de lucht altijd blauw is, waar de heuvels altijd groen zijn en waar iedereen vrolijk is. Qua rijden is Nieuw-Zeeland ook level 1. Aan het links rijden ben je na een minuut of tien al gewend en in tegenstelling tot landen als Argentinië hoef je niet te vrezen voor wegen die plots in een Dakar-ralley veranderen en hoef je ook niet bang te zijn voor Peruaans rijgedrag waar zebrapaden en stoplichten slechts bestaan om het straatbeeld op te leuken en waar verkeersregels voor je eigen veiligheid beter niet dan wel nageleefd kunnen worden.
We parkeren Swiftie bij Hot Water Beach. Intussen heeft onze auto al laten doorschemeren dat haar naam Frosty of Elsa is, maar zeker weten doen het nog niet. Hot Water Beach heeft net zo’n inspiratieloze naam als het Noordereiland en het Zuidereiland (namen gaan echt beter worden, geloof me), maar het is wel een heel bijzonder strand. Het Zuidereiland staat bekend om gebergtes en fjorden, maar het Noordereiland staat bekend om vulkanisme en dat wordt op Hot Water Beach wel duidelijk. We huren namelijk een schepje. Gaan we zandkastelen bouwen? Nee, maar we gaan wel schatgraven. Geen schat van goud of edelstenen, maar een schat aan heet water. Dankzij vulkanisme loopt er op een aantal verborgen plekken op het strand een warmwaterstroom van 64 graden vlak onder het oppervlak door en door op die plekken te graven, kun je twee uur voor tot twee uur na laagwater je eigen natuurlijke warmwaterbronnen uitgraven. Hoe bizar is dit!?
IK wil Graven!
De meneer die de scheppen verhuurt (‘wat doe jij voor de kost?’; ‘ik ben scheppenverhuurder’) wijst ons naar een specifieke plek op het strand. Tegenover een plek waar rotsen zo’n veertig/vijftig meter in de zee opsteken, is de beste kans om het warme water te vinden. We zijn niet de enigen: twee dames uit Californië hebben een schepje in de aanslag en een veel te fanatieke Australische vrouw is met haar drie kinderen ook gebrand op het vinden van heet water. Er is een soort onuitgesproken competitie begonnen tussen iedereen die hier met een schepje over het strand loopt en er wordt eigenlijk een bizarre ludieke situatie gecreëerd: de plek om te graven is door de vele rotspartijen schaars, dus krijg je de situatie waarin een stel volwassenen met scheppen in hun handen passief-agressief zoekt naar het beste plekje op het strand om te graven, allemaal terwijl we onze volwassen leeftijd in ogenschouw nemen door niet té opzichtig te balen als iemand anders het graafplekje in beslag neemt dat jij op het oog had. Het is een beetje alsof je deel uitmaakt van al die trieste toeristen die ’s ochtends om 8 uur opstaan bij hun all-inclusive resort in Turkije om hun handdoekje op één van de bedjes te leggen, maar dan met scheppen en graafplekken.
Maar dan is dit wel de leuke variant. Want hoewel er echt wel een onuitgesproken competitie aan de gang is, heerst er ook een sfeer waarin we het elkaar gunnen die heetwaterbron te vinden. Of ja, dat geldt niet voor Geertje. Waar iedereen passief-agressief zoekt, kun je bij Geertje ‘passief’ wel achterwege laten. Als Geertje een schep krijgt en een doel heeft, dan verandert ze in een ander mens. Dan komt er een persoonlijkheid naar voren die koste wat kost haar doel wil bereiken, ten koste van alles en iedereen om haar heen. De enige taal die Geertje vandaag spreekt, is de taal van de schatzoeker.
Al snel hebben wij een van de beste plekjes om te graven gevonden en wanen we ons Johnny Depp en Keira Knightley in Pirates of the Carribbean. Maar Jack Sparrow was ook niet de meest actieve, toch? Nee, dat klopt, en dat ben ik namelijk ook niet, maar daar krijg ik de kans niet voor. Als een bezetene is Geertje aan het scheppen alsof hier ergens de sleutel naar het eeuwige leven begraven ligt en we hebben maar één schep en telkens als ik aan de beurt ben, is de zin om te graven bij Geertje na tien halen van mijn kant alweer zo groot dat ik haar niet kan tegenhouden. Hoewel ik best meer had willen doen, zorgt Geertjes enthousiasme ervoor dat 90% van het werk vandaag door haar verricht zal worden. Het valt niet mee: iedere keer als er een golf komt, wordt al het graafwerk weer teniet gedaan. Een wisseling van tactiek: we bouwen een enorme muur als ware het een fort dat we verdedigen en op een gegeven moment staat er een bijna drie meter lange muur van zand die na ieder gevecht met iedere golf als winnaar uit de bus komt. De muur staat zelfs zo fier overeind, dat het bouwproject van Geertje en mij de nodige bekijks en medegravers op dit strand nemen ongevraagd wat technieken van ons over. Laat het bouwen van dammen maar aan die Nederlanders over.
Maar die warmwaterbron blijft uit. We hebben er intussen al zo’n 2000 calorieën afgeschept en hoewel we waterbronnen vinden, is het zo koud als het water van de zee. Aan zo’n inventieve dam heb je natuurlijk vrij weinig als de plek die je droog wil leggen niet de mineralen bevat waarnaar je zoekt, hé. Een meter of vijftien verderop wordt er gejuicht: de warmwaterbronnen zijn héél dicht bij zee gevonden! Met het zweet op het voorhoofd voelt dit toch wel aan als verlies. Daar staan we dan te kijken met ons innovatieproject in de vorm van een deltaplan op het zuidelijk halfrond.
Met de witte zakdoek zwaaiend sluiten we ons maar aan bij de Australiërs en Amerikanen die met de moed der wanhoop kuilen proberen te graven waar de zee immer te machtig is. De zee is ruig en sterk vandaag, dus een bad creëren gaat moeilijk zijn, maar wat we hier te zien krijgen is wel bizar. Uit het zand komt gewoon STOOM. En dat terwijl er om de drie seconden weer een nieuwe golf over het strand knalt. En als je graaft blijkt de mythe waar te zijn: er komt gewoon heet water UIT DE GROND! Het is alsof we in een speeltuin voor grote mensen beland zijn en even later besluiten we de handen ineen te steken en samen met de Australiërs en Californiërs als malloten te graven. En wat is het heerlijk. Met de voeten in dat warme water en soms hete water terwijl de winterzee haar koude water tegen je knieën duwt. 64 graden is loeiheet, maar de onmiddellijke verkoeling van het koude zeewater maakt dat het nét te doen is. En fantastisch is het ook: hier op een strand ergens in Nieuw-Zeeland, zullen iedere dag een stuk of twintig volwassenen met een schepje in hun handen te vinden zijn. Volwassenen, die even vergeten zijn dat ze volwassen zijn, die even denken en voelen dat ze weer kind zijn. Zo is het bij ons wel gegaan: vanaf het moment dat we dat strand opliepen, waren we alle schaamte voorbij. Graven, graven, graven en op zoek naar de schat. En dat dat een stuk of acht onbekenden in een fractie van de tijd even zo dicht bij elkaar brengt, is nog veel mooier dan dit strand of de rotsen zelf. Het is alsof we allemaal twintig jaar terug de tijd in zijn gegaan en dolblij onze tijd in de Efteling doorbrengen.
De middelvinger van Ronald Koeman
Wel zeggen we gedag als het net ergens op begint te lijken. Met de kracht van de aantallen in ons voordeel, is het redelijk gelukt een mooi fort te maken en wie weet zal het ze later ook lukken om een echt badje te creëren. We hopen op het beste, maar voor ons staat een vaderlandse plicht te wachten. Nederland speelt tegen Marokko. In het dorpje Tairua gaan we zitten in Punters Bar, een bar die bewijst dat Nieuw-Zeeland geen voetballand is (we zijn de enigen die in het kroeggedeelte zitten), maar waar we op verzoek wel livebeelden te zien krijgen die ik achteraf liever uit het geheugen had willen wissen. Treurigheid. Net als de treurigheid van deze kroeg die in veel opzichten op een Australische kroeg lijkt. Wat dat treurig maakt? In Australië zaten er van die minicasino’s aan de kroegen vast. In steden zag je dat niet, in dorpen wel. Hier in Nieuw-Zeeland lijkt hetzelfde aan de hand: in Auckland zagen we het nergens, maar hier in Tairua zit een ruimte met een paar schermen waar op paardenraces gewed kan worden en staan er een stok of tien gokkasten. En het zit er vol. Veel te vol. Kijk, wij hebben vakantie en ik denk dat dat een middagbezoekje aan de kroeg rechtvaardigt, maar voor de Kiwi is dit een doodnormale dinsdagmiddag. En er zitten hier mensen in dat casinootje, van het slag ‘ons kent ons’, tussen de 45 en 65 jaar. Niet tien minuten, maar UREN aaneen nieuwe muntjes nee-schuddend in die gokkasten te gooien. Dan verdrink ik me toch liever in het verdriet van de uitschakeling, dan in een gokverslaving.
Toch wil ik nog wat over ‘ons Oranje’ kwijt. In Cafayate hield ik nog een pleidooi over dat we als Nederlanders wat positiever mogen zijn tegenover ons nationale elftal, maar gooi die claim maar weer de prullenbak in. WAT WAS DIT SLECHT! Ja, effe serieus, Marokko is geen misselijk ploegje, maar we hebben toch gewoon op 8 posities een betere speler staan dan die Marokkanen of niet? Hoe krijgen we het dan in ons hoofd om na TIEN KEER gescoord te hebben in de poulefase ons systeem OM TE GOOIEN en verdomme voor het eerst ooit met een VIJFMANSVERDEDIGING te spelen die alleen maar uitstraalt dat we bang zijn voor fucking MAROKKO!?!?!?!?!? Belachelijk. Alsof we tegen Frankrijk spelen, maar vergeten dat dit Marokko in plaats van Frankrijk af. Waarom doen we in godsnaam niet hetzelfde als die eerdere wedstrijden? Dan ga je uit van je eigen kracht, eigen kracht die je meer dan genoeg bezit. Maar nu? Als een lachertje eruit en nog volkomen terecht ook. Vanaf nu ben ik niet meer positief over het Nederlands elftal, bah, bah, bah, bah, bah.
Op naar het zuiden
Zo, dat is er uit. Als we later verder rijden naar de plaats van overnachting, heb ik ook geen zin om veel met Geertje te praten en is het enige wat ik wil voetbaltirades oreren waar Geertje van mij gehoorzaam naar moet luisteren, terwijl we een route van tweeënhalf uur naar de plaats Waitomo rijden, een weg die door de aaneenschakeling aan boerderijen en weilanden zo ver het oog reikt, verdacht veel op een Nederlandse lijkt. Weer bizar: aan de andere kant van de wereld en we wanen ons qua omgeving op dit stuk opeens in ons kikkerlandje. De zon is al ruimschoots onder (de winter betekent weinig lichturen op een dag) en we checken in bij een boerderij waar we een primitief huisje met slechts een bed, een stoel en een nachtkastje voor één nacht ons thuis mogen noemen. Geertje valt weer vroeg in slaap, maar het is hier in dit boerderijhokje dat mijn doorzettingsvermogen lijkt te volstaan en ik de ogen tot elf uur open weet te houden. Ik slaap vervolgens goed: mijn jetlag behoort tot het verleden, nu die van Geertje nog.
We vertrekken vroeg, maar we kunnen nog niet meteen weg: bevroren ruiten! Jawel, het heeft vannacht gevroren. Wat een contrast met die Nederlandse hittegolf van de laatste tijd, waar hier gewoon de witte sneeuwkristallen op het gras te zien zijn.
De grotten van licht
In Waitomo bezoeken we de Waitomo Caves en wanneer we onze auto parkeren op de parkeerplaats, gaan we naar het keurige toeristenparkje dat is opgetuigd om ons kaartje te laten zien dat ons toegang geeft tot de tour die om negen uur in de morgen begint. We zijn niet alleen, maar met een groep van om en nabij twintig man. Geen enkele westerling in het groepje: hier zitten alleen Aziaten bij. Oost-Aziaten en Zuid-Aziaten, wel te verstaan en dit zijn groepen toeristen die we in Zuid-Amerika niet gemist hebben.
Maar eerst even over die Waitomo Caves zelf, want deze tour is de moeite absoluut waard. Van oudsher een heilige plek voor de inheemse Maori, vandaag de dag ook een toeristische attractie die ook door dagtrippers vanuit Auckland goed bezocht blijkt. Maar er is één ding dat deze grotten speciaal maakt: de glow worms. Verderop in de grot barst het van de blauwe lichten die als een laken de plafonds van de grotten bekleden en in het duister is het alsof we een feeënwereld betreden hebben. Even later komt dus dat bootje waar ik het over had en het is op dit ondergrondse riviertje dat we ons even op een andere planeet wanen. Een breed bootje dat doet denken aan een ritje in de Fata Morgana, vaart ons onder een hemel van blauwe, lichtgevende wormen die hun speeksel gebruiken om aan de wand te blijven plakken. Ik vind het lijken alsof we ’s nachts in een dichte jungle zitten, terwijl boven ons het maan- en sterrenlicht door het dichtbegroeide bladerdek probeert te schijnen. Geertje krijgt het gevoel dat ze in een rare kermisattractie zit die het water op de grotwanden deed weerspiegelen en ze wordt er helemaal duizelig van. Foto's maken was in de grot niet toegestaan, maar op het einde was er een stuk waar we wél de glimwormen in onze cameralenzen mochten vangen. Geloof me als ik zeg dat er een meter of tien/twintig voor we de foto’s maakten die je hieronder ziet, er nog zeker tien keer zoveel glimwormen in de grotten verscholen zaten. Magisch. Als je benieuwd bent naar de ware hoeveelheid glimwormen, moet je die Waitomo Glowworm Caves zelf maar een keer gaan bekijken, maar eerlijkheidshalve hadden we dat liever zonder de rest van ons groepje gedaan, want die hebben de nodige irritaties opgewekt.
Aziatische irritaties
Ik ga me op glad ijs begeven en ik zal m’n best doen om niet racistisch te zijn, want ik besef dat er een paar uitspraken gaan komen die redelijk gevaarlijk zijn, maar anderzijds doe ik serieus alleen maar objectieve observaties. Ik ga vanaf nu ook ‘Chinezen’ en ‘Indiërs’ zeggen in plaats van Oost-Aziaten en Zuid-Aziaten. Chinezen omdat bijvoorbeeld Koreanen en Japanners bekendstaan om zeer keurig en netjes toerisme en Chinezen totaal niet. Indiërs, omdat je bij Zuid-Aziaten vooral spreekt van Indiërs, Bangladeshi, Pakistanen en Sri Lankanen, maar hiervan heeft alleen de eerste groep doorgaans de financiële middelen en het paspoort met de kracht om deze reizen te maken. Nu we de namen uit de lucht hebben, ben je vast benieuwd: wat is er aan de hand?
We staan voor de ingang van de grotten te wachten, terwijl onze gids de regels met de groep doorneemt. Geen foto’s en video’s in de grotten. Geen eten en drinken mee naar binnen. Niet de rotsen aanraken. Duidelijk? Niemand tekent een bezwaar aan, maar we zijn twintig seconden binnen en IEDERE REGEL is al overtreden! Een Chinees is luid kauwend z’n broodje naar binnen aan het werken. Een andere Chinees aait een paar steenpartijen alsof hij z’n vriendin behaagt. De dochter van een Indiaas gezin staat met haar flitser foto’s van iedere hoek van de grot te maken en geïrriteerd gaat onze Kiwi-gids al onmiddellijk aan het corrigeren. Wat een weelde was dat in Zuid-Amerika, waar we geen Aziatisch toerisme hadden. Kijk, Westerse backpackers kunnen doorgaans heel opgewonden raken van hun spiegelbeeld en vinden zichzelf vaak de meest interessante personen op aarde, maar respect voor de regels en de plaatselijke gebruiken nemen we wel in acht. Dat hadden we ook al door tijdens onze reis door Zuidoost-Azië, waar het steevast de Chinese en Indiase toeristen waren die onbeschoft, onbeschaafd en nergens acht op slaand door die landen denderden. Zuid-Amerikaanse landen zijn afgezien van een paar locaties nog lang niet overrompeld door het Aziatische toerisme. Niet dat het erg is wanneer dat wél het geval is, maar keer op keer wordt bewezen dat Chinezen en Indiërs niet degene zijn die het meeste respect voor de lokale cultuur hebben.
Dat wordt overigens nog wat erger: we lopen verder de grot in en het Indiase meisje dat al gecorrigeerd is, besluit nu continu de gids in de gaten te houden en stiekem het telefoontje erbij te pakken wanneer de gids niet kijkt. Van haar ouders hoeven we ook geen corrigerende tik te verwachten: vlak voordat we de boot betreden voor die boottocht door de grotten, vertelt onze gids dat er op het einde een fotopunt is waarop we eindelijk foto’s mogen maken, dat punt van die foto's hierboven. “Why are we not allowed to take photo’s?” vraagt de Indiase man die de rol van vader in dit gezin bekleedt. Blijkbaar is deze grot een heilige plek voor de inheemse bevolking en een luttele minuut na deze uitleg besluit die vader ZELF zijn telefoon erbij te pakken om te gaan filmen, waarna hij WEER gecorrigeerd moet worden. Effe serieus: wat is er mis met deze lui? Je hebt zojuist gevraagd naar het telefoongebruik, maar je besluit dus dat de reden van deze regel voor jou niet belangrijk genoeg is en je maakt de beslissing om toch maar te gaan filmen. Dan ben je gewoon een botte boerenlul. Compleet van de pot gerukt, deze lui. Ik geef er geen stuiver voor. Het is op dat moment dat Geertje en ik afspreken om deze aso-familie ook op hun gedrag aan te spreken wanneer ze nog een keer hun telefoon erbij pakken, maar alsof ze dat op de een of andere manier aanvoelen, gebeurt dat niet meer. Sjonge, jonge, jonge.
De maori
Buiten zien we nog een wandelpaadje dat naar Waitomo Village leidt. Waitomo Village… zou dat een inheems Maori-dorp zijn? Voordat de kolonisatoren de witte westerlingen naar Nieuw-Zeeland brachten, heette Nieuw-Zeeland Aotearoa en waren het de Maori, bekend van hun haka’s en hun tribaltatoeages, die dit land bevolkten. De Maori leven hier nog steeds, maar zijn nu een minderheidsgroepering. Als we de tien minuten durende wandeling naar Waitomo Village door een bos dat buiten de lage temperatuur ook zomaar door zou kunnen gaan voor tropische jungle, hebben afgerond, komen we van een koude kermis thuis. Waitomo Village is precies dat. Een doodnormaal dertien-in-een-dozijndorp. En het heet Waitomo. Dus we kijken tegen een doodsimpele woonwijk aan en keren teleurgesteld toch maar weer om. De stappenteller is er in ieder geval wel blij mee.
Dit geeft me wel de kans om een klein bruggetje te slaan naar de inheemse bevolking van Nieuw-Zeeland. De Maori. Zoals overal ter wereld waar meerdere groepen één samenleving vormen, wordt de minderheidsgroepering wat onderdrukt in Nieuw-Zeeland, maar in tegenstelling tot vele andere plekken, is Nieuw-Zeeland eigenlijk het schoolvoorbeeld voor een progressieve omgang met inheemse volkeren. Het belangrijkste voorbeeld dat wij in vier dagen Nieuw-Zeeland al meteen opvallend vinden, is de taal: Te Reo Maori. De inheemse taal van de Maori. Alle informatieborden die je in steden, dorpen en zelfs op het platteland tegenkomt, zijn tweetalig. Engels en Te Reo Maori. Een indrukwekkende taal, vind ik het wel, een taal die wel een bepaalde mystieke uitstraling en klank heeft. Maar belangrijker: Te Reo Maori was bijna uitgestorven, tot er in 1970 een traject in werking werd gezet om die taal wat nieuw leven in te blazen. Waar taalvariatie op wereldwijde schaal in een slechte staat verkeert en het vooral ouderen zijn die uitstervende talen beheersen, heeft bij Te Reo Maori de jeugd juist de toekomst: de inheemse taal is een verplicht schoolvak en vier procent van de bevolking (zo’n 200.000 mensen) spreekt de taal vloeiend. Vloeiend! En dat zijn grotendeels jongeren, waar het normaal vaak ouderen zijn die zo’n taal beheersen. Vet. Dit is nog eens goed werk en Nieuw-Zeeland: je hebt een pluspuntje verdiend.
Degelijk, gewoon en normaal
Over die inheemse Maori ga ik je in de volgende blog nog wat meer vertellen, maar om de blog af te sluiten, staat misschien wel de bekendste trekpleister van heel Nieuw-Zeeland op het programma. Eerst lunchen we nog wat in het plaatsje Cambridge (niet de Britse variant). We hebben nog maar weinig van Nieuw-Zeeland gezien, maar we durven toch wel te stellen dat Cambridge een dorpje is dat de prijs verdient van het meest normale doorsnee dorpje van het land. Huizen. Winkels. Parkeerplaatsen. Een tankstation. Welkom in Cambridge.
Hier brengt Geertje overigens de middag door, want die bezienswaardigheid die ik ga bezoeken, is niet voor Geertje weggelegd. Die heeft hier daar geen zin in. Wat ik dan ga doen, vertel ik je zo, maar eerst de middag van Geertje in Cambridge. Het zoeken naar een baan kent vooralsnog geen heel vruchtbare afloop voor Geertje en een middagje nieuwe sollicitaties versturen is iets wat dan met tegenzin toch maar moet gebeuren. Gelukkig bestaat er ook tijd om van het WK te genieten met een wijntje, hé? Ook doet ze alvast de boodschappen voor onze late avondmaaltijd vanavond en het is hier dat Geertje een klein beetje heimwee naar Zuid-Amerika krijgt. Hoe ver van huis we hier ook zijn: op cultureel gebied is Nieuw-Zeeland al een stuk dichterbij huis. Begrijp ons niet verkeerd: de Kiwi’s zijn een aardig volkje: vriendelijk, goedlachs en het mooiste Engelse accent van de wereld, maar omdat het zo’n welvarend land is, merk je ook dat de mensen hier alweer een stuk individualistischer zijn dan in Latijns-Amerika. Dat is niet slecht, op zich, want we vinden Nederlanders in Nederland ook altijd heel aardig, maar wel heel gehaast en soms een beetje op zichzelf gesteld. Dat is wat Geertje hier, op dit moment, in de Woolworths van Cambridge ook ervaart. Gehaast, gestrest en rennend baant de Kiwi zich door hun land en een gedag kan er vaak niet vanaf. We zijn qua afstand verder van huis, maar qua cultuur zijn we dichterbij gekomen en dat betekent dat het naderende einde van de reis steeds meer vorm begint te krijgen.
Ik ben daar vanmiddag niet, want ik heb de navigatie van Elsa (de Suzuki Swift heeft haar naam eindelijk verteld en blijkbaar is ze naar de prinses van Frozen vernoemd, laat Geertje weten!) op Matamata ingesteld, een klein halfuur buiten Cambridge. Ik heb ooit verteld dat iedereen een beeld heeft bij Nieuw-Zeeland. Dat beeld kan van iedereen ook anders zijn. Eén van die beelden, is het beeld van Lord of the Rings. Ik ben fan, Geertje niet. Daarom ga ik aan dat beeld nu invulling geven. In Matamata ligt namelijk Hobbiton, de plek waar de opnames van Lord of the Rings plaatsvonden en wel precies de scènes in de gemoedelijke, veilige, glooiende thuishaven van de Hobbits: the Shire.
Het toevluchtsoord der hobbits
Het is FANTASTISCH! Dit is een van de meest toeristische activiteiten van heel Nieuw-Zeeland en zelfs in het laagseizoen van de zuidelijke winter worden de toeristen in grote groepen met gidsen verdeeld. Overal in Hobbiton lopen groepen rond, maar de moeite waard is het zeker. Onze gids Kyla is alleen maar bevorderlijk voor het enthousiasme en bij iedere stop die we maken, maakt Kyla er een quiz van. Ik ben erop gebrand om zo veel mogelijk als eerste te antwoorden, maar ik moet toch m’n meerdere erkennen in een Koreaanse medetoerist die zowat de boeken woord voor woord gememoriseerd lijkt te hebben.
Ik loop door de tuintjes waar de Hobbits hun uien, tomaten en pompoenen verbouwen. Langs de glooiende groene heuvels die in het daglicht één en al vrolijkheid uitstralen. Langs de weide waar Bilbo zijn 111e verjaardag gaf en langs zijn iconische huis Bag End, bovenop de heuvel. Ietsje naar beneden vinden we het huis van Sam en de enorme boom die pontificaal midden in Hobbiton staat en die iconisch is door de tent die tijdens het feest door Pippin en Mary de lucht in werd geschoten. Ook lopen we langs het iconische heuvelpaadje waar Gandalf op z’n paard en wagen The Shire komt binnengereden, waar Frodo ‘m oppakt. Mijn groep-8-brein dat op repeat alle Mastermoviesfilmpjes bingewatchte kan het alleen niet laten om iedere scène die ik zie met een Mastermovies-stem te bekijken. “Hé stinkie!”
Tja, Mastermovies. Vrij niche misschien, maar ik hou ‘m er toch in voor het restant van deze blog. Ook mogen we een hobbithuis van binnen bekijken en het is veel groter dan ik van buiten zou bedenken. Niet hoger, trouwens, want ik hou er een nekhernia aan over. De Efteling-vergelijking is al vaker gemaakt deze blog, maar ook hier gaat-ie weer op. Het is net alsof ik me in een hevig gethematiseerde wachtrij van een Efteling-attractie begeef en het oog voor detail dat de ontwerpers hebben gehad voor iedere vierkante centimeter van dit hobbithuisje, is onwijs bijzonder. De bedjes, de tafeltjes, de voorraadkasten: al scoor je een twee op een schaal van één tot tien voor inbeeldingsvermogen, dan nog waan je je Frodo die hier z’n dagelijkse leven leeft. Ik ga even zitten bij de open haard. Hier hield Gandalf de ring voor Frodo in het vuur. “Hier, hou eens vast. Hij is maar 100 graden.”
We sluiten de tour af in de Green Dragon. Iconische pub natuurlijk, zoals je ongetwijfeld weet, maar die kroeg is na de opnames gewoon in bedrijf voor bezoekers. Sterker nog, we krijgen een gratis drankje! In het sfeervolle kroegje installeer ik me op een van de stoeltjes en waan ik mezelf nippend van m’n amber ale nog steeds een hobbit. Wat is het hier mooi en wat is het bijzonder om hier te zijn na de boeken te hebben gelezen en de films te hebben gezien. En na Mastermovies honderd keer gezien te hebben. Ik bestel nog bijna drie Fristi.
Voordat ik de blog afsluit, wil ik nog even wat kwijt over m’n toerismegroepje. Onze groep telt zo’n veertig tot vijftig neuzen. Een behoorlijk aantal, dat besef ik. Er zit één Australisch gezin bij. Vader, moeder en hun drie kinderen. De rest van de groep? Oost-Aziatisch zonder ook maar een enkele uitzondering. Nogmaals, dat is niet erg. Sterker nog: in tegenstelling tot die Waitomo Caves van vanochtend, is het naleven van de regels deze keer geen probleem en daar ben ik opgelucht om. Toch verbaas ik me over de manier waarop toerisme in Oost-Aziatische contreien bedreven wordt.
Het fenomeen van georganiseerde Aziatische tours
Als Kyla bij de ingang vraagt wie allemaal de boeken heeft gelezen, gaan alleen de hand van mij en de hand van die Koreaanse superfan omhoog. Daarna wordt gevraagd wie de films heeft gezien. Het Australische gezin steekt de handen op en nog drie andere Aziaten voegen zich bij de groep die zich fans mogen noemen. Ik vind dat dat er weinig zijn. De boeken, oké: dat is tot daar aan toe. Maar de films? Ik kan me toch niet voorstellen dat je 64 euro (dat is echt héél duur, vind ik) neerlegt voor het bekijken van een filmset van een film die je niet eens kent. Precies de reden dat Geertje nog ergens in Cambridge verdwaald is op het moment dat ik deze tour doe. Zou toch zonde zijn als ze die 64 ook op de toonbank smijt voor een wandeling die voor mij het ene herkenningspunt na het andere vormt, terwijl het haar allemaal niks zegt. Maar dat is voor mijn tourgroep dus niet het geval. Die lui hebben geen idee waar ze zijn.
Toch maken ze overal foto’s. Zoals je ziet heb ik ook de nodige kiekjes geschoten, hoor, maar ik lieg niet als ik zeg dat ik nog geen kwart van het beeldmateriaal op de harde schijf heb gezet van wat mijn groepsgenoten op beeld hebben. Het begint al bij de ingang, bij het bordje dat ‘Hobbiton’ zegt. Het is bijna komisch om te zien hoe mechanisch en ingestudeerd het eruitziet wanneer letterlijk ALLE Aziatische medetoeristen een rij vormen en zich één voor één onder het bordje laten fotograferen met twee vingers die het peace-teken vormen en met één been gestrekt in de grond als een flamingo, terwijl het andere been bij de knie in een hoek van vijfenveertig graden gebogen is. En dat gaat zo door. Tweeënhalf uur lang bij ieder plekje dat je je bedenken kunt. En dat allemaal voor een filmset waarvan ze de films helemaal niet kennen. Wanneer Kyla zo’n quizje erin gooit, is het alleen die Koreaan, ik en bij uitzondering een Australisch gezinslid die de vraag weet te beantwoorden. De rest van mijn groep weet het verschil tussen Gandalf en Perkamentus nog niet eens.
Dan ben je nog steeds welkom hoor, want die lui hebben zich keurig aan de regels gehouden hier. Maar ik snap het niet. 64 euro. Voor zo’n plek. Dan wil je toch besef hebben van waar je bent? Ik ga toch ook geen 160 euro voor een K-Pop concert neerleggen dat mij geen bal interesseert? Of naar de finale van een waterpolotoernooi? Sowieso valt me iets op. Hier stikt het van de Aziatische toeristen. Bij Waitomo Caves ook. Bij Hot Water Beach waar we gisteren waren? Geen enkele Oost-Aziatische toerist te bekennen. Hoe. Werkt. Dit? Krijg je in China, Japan of Zuid-Korea gewoon een universele reis naar Nieuw-Zeeland aangeboden en word je van A naar B naar C naar D gesjouwd door zo’n tourbusje? Ik denk het eigenlijk wel. Ik denk dat je als, pak ‘m beet, Chinees naar een reisbureau gaat, je Nieuw-Zeeland op je bordje geschoven krijgt en je dan gewoon het vliegtuig in stapt en maar gewoon ziet waar je uiteindelijk belandt. Dan laat je je overal maar naar toe brengen om daar fotootjes te maken. Ter vergelijking en verduidelijking: ik denk dat de Oost-Aziatische standaardreis naar Nederland van Amsterdam naar Giethoorn naar de Keukenhof naar de Zaanse Schans voert, snap je wat ik bedoel? Ik probeer niet hooghartig te klinken, maar toerisme op deze manier bedrijven… voor ons zou dit totaal geen meerwaarde hebben en we zijn ook maar wat benieuwd hoe het gaat zijn op de volgende locaties die we bezoeken. Ik heb in ieder geval een fantastische middag gehad, hoor, en ik ben maar wat blij dat ik samen met dat Australische gezin en die Koreaanse superfan een toerist ben die hier wel op eigen keuze gekomen is.
Reactie plaatsen
Reacties