Tafí del Valle - De kaas van Jezus

Gepubliceerd op 8 juni 2026 om 14:30

Terug in Salta

HET IS GELUKT! De Australische transitvisumhel is achter de rug! Bij aankomst in Salta krijgen we het nieuws te horen dat het visum voor Nieuw-Zeeland is goedgekeurd. Bij aankomst duik ik dus gelijk met de laptop het centrum van Salta in (Bixi – is inmiddels gepromoveerd tot stamcafé) om met zo’n heerlijke chocoladecappuccino waar ik maar geen genoeg van krijg, me eens te meer te buigen over dat afgrijselijke, ellendige Australische transitvisum. Alle inzet wordt beloond: na nog ruim twee uur heb ik Geertjes aanvraag verstuurd en ook de mijne ingediend. Geertje volgt in onze AirBnB haar zoveelste lesje Spaans (ik ben de tel kwijt, maar het einde nadert) en dan genieten we samen van Salta. Maar… in Salta zijn we toch al geweest?

De oplettende lezer ziet de naam van het dorp Tafí del Valle in de titel staan. En dat klopt, daar gaan we ook heen, maar de rit van Tilcara naar Tafí del Valle is er één die meer dan 7 uur beslaat, dus leek het ons verstandig om een ommetje te maken via het prachtige nevelwoud van de Ruta 9 om tussendoor één nachtje in de hoofdstad van de gelijknamige provincie door te brengen, in de stad die in recordtijd als thuis is beginnen te voelen. Het is niet zo dat we, nu we weer in Salta zijn, ook weer kampen met datzelfde anti-heimweegevoel dat we hier de vorige keer ervoeren, hoor. Nee, we zijn wel redelijk tot bezinning gekomen. Clichématig lult iedereen altijd maar dat je aan het eind van je vakantie het vaak wel weer oké vindt om naar huis te gaan. We moeten bekennen dat dat cliché een kern van waarheid bevat. Zodra we die vluchten naar Nieuw-Zeeland en naar huis geboekt hadden, daalde het ook een beetje in. Kwamen we tot bezinning. En dat is berusting hé, nog geen zin om naar huis te gaan. Dat hebben we nog niet. Gelukkig maar, want anders wordt het wel een heel erg lange anderhalve maand. Het is in elk geval wel fijn dat die aversie tegen terugkeren naar het moederland wel is weggeëbd. Als je geen einddatum hebt, geen dag hebt wanneer je terug naar huis gaat, dan verheug je je er ook niet op. Plan je die vlucht, staat het vast en heeft de onvermijdelijke constatering dat je ooit huiswaarts keert opeens een vleesgeworden verschijning in de vorm van twee vliegtickets? Dan volgt opeens die acceptatie. Na al dat geregel is het nu wel genoeg geweest over het teruggaan naar huis. De visa zijn ingediend, de vliegtickets zijn geboekt en wat rest is nog wachten op de goedkeuring van de visa: op naar het hier en nu.

Empanada's

En het hier en nu is een empanadaworkshop. Die workshop is al twee weken in de maak. Als een rode draad loopt die empanada door onze reis heen, want die empanada is hét tussendoortje dat naast de taal al die Latijns-Amerikaanse landen verbindt. Ieder land – wat zeg ik, iedere regio – geeft z’n eigen invulling aan deze doorgaans overheerlijke gevulde deegballetjes. Toen we anderhalve week geleden in Salta een paar empanada’s bestelden, waren we het over één ding eens: de Saltaanse empanada’s zijn de lekkerste tot nu toe. We besloten dat we die ook wilden maken, maar dan rest de vraag: hoe? Geertje ging op onderzoek uit en tijdens dat ene avondje dat we in Salta hebben op de weg naar het zuiden, gaan wij leren hoe we op de volgende kringverjaardag een bakplaat vol empanada’s kunnen presenteren.

De komende week gaat als een goedkope voelen. ‘Voelen’ is hierin het kernwoord. We hebben nog zo’n 500 contante euro’s die we vanaf het begin van de reis bewaard hebben en er zijn nog briefjes die samen 280 Amerikaanse dollar vormen die al anderhalve maand branden in de rugzak. Aanvankelijk wilden we die in Bolivia wisselen, maar voor de resterende planning is de conclusie dat Argentinië de beste plek is om ze te wisselen. We wisselen weer heel sketchy op de straat, waarna we een fortuin aan Argentijnse peso’s rijker zijn. Door die enorme inflatie, is het grootste briefje (10.000 peso’s) maar zo’n zes euro waard. Het resultaat van het geld wisselen laat zich raden: we krijgen meer dan een miljoen peso’s in cash en het stapeltje peso’s dat we in de rugzak doen, doet vermoeden dat we onderweg zijn naar een grote drugsdeal. Ik kan het dan ook niet laten om in het appartement die flappen in het rond te gooien alsof we zojuist miljonairs zijn geworden. Zijn we ook, maar dan in Argentijnse peso’s. Dan is dat opeens niet zo indrukwekkend meer. Overigens moet ik de gemaakte bende zelf weer opruimen. Dat is dan wel weer jammer.

Maria heet ons welkom en de kok van dienst is Salma, die met haar jonge vierentwintig jaar ons aan het werk gaat zetten vanavond. Voor we beginnen worden we gesommeerd om aan een random bel te trekken waar alvast een plaatselijke Torrontés voor ons klaar staat.  Een empanada is eigenlijk een vrije kunstexpressie, maar dan in kookvorm. Je hebt deeg en die deeg vouw je op een bepaalde manier op. De vulling kan van alles zijn. Kip, vlees, kaas, ham-kaas, geitenkaas, groente, quinoa: je mag het zo gek maken als je zelf wilt. Omdat we nu nog kersverse studenten zijn, houden we het simpel: empanada’s met bief. Niet één. Niet twee. Zelfs geen tien. Nee, een stuk of twintig empanada's gaan door ons gevouwen worden. We hoeven straks in elk geval geen peña meer in te duiken om onze magen van inhoud te voorzien. Ook leren we het geheim van de Saltaanse empanada die ons zo heeft weten te bekoren. Naast de bief en de groenten in de vorm van ui, balsamico en ei, zitten er ook gekookte aardappelstukjes in de Saltaanse empanada. Eigenlijk eten we vandaag gewoon een AVG’tje dus.

Het is een heerlijke bezigheid, dat empanada’s maken. Eerst bakken we het geheel tot het goed is en daarna begint het vouwwerk. Zo’n activiteit die heerlijk je hoofd leegmaakt, dat je even nergens anders aan denkt dan aan die empanada’s en aan de gezelligheid. Want gezellig is het zeker. Ik ben nog het doelwit van een uitlachpartij georkestreerd door de drie dames wanneer ik een paar bosuien veel te ver afknip uit de moestuin en Geertje is de koning te rijk wanneer ze ziet dat ik degene ben die een keer achter de snijplank staat in plaats van zij zelf. De enige keer dat ik heb gekookt, was maanden geleden in San Gil. Zowel Salma als Maria (die louter toekijkt: eerst dacht ik nog dat Salma een stagiair was en Maria haar beoordelaar, maar die vork zal later anders in de steel blijken te zitten) spreken goed Engels en we luisteren aandachtig naar hun verhalen over de Argentijnse cultuur. Empanada’s maken wordt op jonge leeftijd al geleerd: als moeders thuis bijvoorbeeld een locro (een dikke pompoensoep voor in de winter, een beetje de Argentijnse equivalent van onze erwtensoep) maakt, dan gaan de kinderen aan de slag met empanada’s. Salma heeft thuis altijd wedstrijden met haar moeder en haar zussen wie in de kortste tijd de meeste empanada’s weet te vouwen. Een wedstrijd! Geertjes ogen beginnen alweer te glunderen bij het idee van competitie.

Die competitie voeren wij niet, want na ze even in de oven te hebben gelegd (in Argentinië flikkert men ze niet in de frituurpan, zoals zoveel andere landen dat doen) is het etenstijd. Aan tafel staan drie borden klaar. Voordat we gaan eten, staat ons nog een verrassing te wachten: we krijgen zelfs een heus empanadadiploma in onze handen geschoven. Als je op onze volgende verjaardag nu géén empanada's te zien krijgt, dan mag je er echt wel wat van zeggen. 

We wachten tot Salma aanschuift, maar dan neemt ze afscheid. Ze moet koken in het restaurant. Logisch, ze werkt hier immers. Maar voor wie is die derde stoel dan? Nou, daar schuift een watertandende Maria vrolijk aan. Wat blijkt? Maria is de tussenpersoon van deze tour. Ze werkt in het toerisme en heeft met haar zaakje een samenwerking met twee restaurants gesloten. Effe serieus: die heeft het goed voor elkaar, zeg. Eerst even een uurtje staan kijken en staan kletsen en daarna lekker aanschuiven voor een paar empanada’s waar je helemaal niks voor hebt hoeven doen! EN NOG BETAALD KRIJGEN OOK! Mochten we ooit toch willen emigreren en Argentinië als bestemming uitkiezen, dan gaan we in Salta wonen en solliciteren we bij Maria. Wat een gat in de markt.

Na het eten keren we terug naar onze slaapkamer. Twintig empanada’s over drie man waarvan Maria er – toegegeven – niet zo heel veel van at (ik heb denk ik meer dan de helft van de schaal soldaat gemaakt), maken dat een dinertje niet meer aan de orde is. Terug in de kamer gaan we op tijd naar bed. Morgen hebben we immers nog een lange rit van zes uur voor de boeg.

Zuidwaarts naar Tucumán

Op de route van en naar Cachi na, was het plan geen enkele route dubbel te rijden. We hebben met Tafí del Valle en Cafayate nog twee stops met Olaf op de planning staan en we besluiten in het oosten Salta uit te rijden om daarna via de lange Ruta 9 zuidwaarts te rijden richting Tafí del Valle. Klonk als een goed idee, maar dat idee valt in de soep. We stellen de route in en beginnen te rijden. Nadat we er een uur op hebben zitten, begint het me steeds meer op te vallen dat ik nergens San Miguel de Tucumán op de borden zie staan. Da’s de hoofdstad van de provincie Tucumán – de provincie waar Tafí del Valle ook in ligt – die we moeten doorkruisen op onze weg naar het zuiden. Wel zie ik Cafayate, onze laatste stop, een paar keer staan. Die zouden we juist níét moeten doorkruisen. In mijn argwaan beveel ik Olaf even stil te gaan staan en wat blijkt: Google Maps heeft ondanks onze wens om via de Ruta 9 te rijden, zelf besloten die ándere weg te nemen! Omdraaien kost nu zo’n twee uur en een kwartier extra en we zijn al ruim een uur onderweg. We kiezen eieren voor ons geld: dan toch maar twee keer dezelfde route rijden. Gelukkig blijkt deze route, de Ruta 68, bekend te staan als een van de mooiste routes van noordwest-Argentinië. Daar blijkt niks aan gelogen te zijn, want op de Quebrada de las Conchas, zoals het natuurgebied waar we doorheen rijden heet, is één van de meest indrukwekkende stukken natuur van heel Zuid-Amerika. Nu ga ik je een worst voorhouden die je niet te eten krijgt, want foto’s ga ik niet laten zien.  Die komen pas in de volgende blog wanneer we weer terugrijden naar Salta om de auto in te leveren, maar alvast een spoiler: het is hier GEWELDIG. Oké, eentje dan en dan wel van het stuk ná en niet vóór Cafayate. Want lama's die te pas en te onpas over de vangrails springen verraden nog niks van dit prachtige landschap.

Siësta in Tafí del Valle

Het is drie uur in de middag wanneer we Olaf parkeren naast ons hostel in Tafí del Valle. Om vier uur kunnen we pas inchecken, dus duiken we alvast even het dorpje in. En dat dorpje is… verlaten. Dan begint er een belletje te rinkelen. Het is natuurlijk weer siësta! Echt ongelofelijk. Kijk, als het nou 40 graden is, dan snap ik dat je een siësta doet, maar die Argentijnen zijn niet helemaal goed in hun bovenkamer, hoor. Het is hier namelijk gewoon koud. Echt KOUD. Na San Antonio de los Cobres de koudste plek waar we in Argentinië geweest zijn. En die lui liggen op het relatief warmste moment van de dag gewoon een schoonheidsslaapje te houden! Wel vinden we een restaurant dat open is, waar in de voorbereiding op het WK een paar klassiekertjes op het grote scherm worden afgespeeld (gelukkig niet de kwartfinale van vierenhalf jaar geleden). We bestellen een biertje van een liter (is normaal hier, Argentinië tracht Bolivia in bierafmetingen te overtreffen) in het groots opgezette zaaltje: echt weer zo’n typisch Argentijns peña restaurant, zoals al die restaurants hier zijn. Voor je beeld: Argentijnse restaurants zijn net feestelijke bijeenkomsten. Ze zijn allemaal groots opgezet en alle tientallen tafeltjes zijn altijd keurig gedekt. Het is een beetje alsof iemand 50 jaar geworden is en een zaal afhuurt en je daar dan allemaal van die tafels op een rij hebt staan voor een lopend buffet verderop. En zo zijn alle restaurants in Argentinië. Eten is in Argentinië een feest. We zijn in elk geval wel blij dat wij niet degenen zijn die 50 jaar oud geworden zijn. 

We keren vandaag vroeg huiswaarts om het maximale uit onze ene, volle dag in Tafí del Valle te halen. De douche werkt nog niet zo mee, want er zijn maar twee standen: ofwel je verbrandt je tepels, ofwel je verandert in een Eskimo. Hier hoeven we gelukkig maar twee keer te douchen. Dan kunnen we eerst in een Eskimo veranderen om daarna te smelten en onze tepels te verbranden.

De boodschappers van onze lieve heer

Om Tafí del Valle te begrijpen, moet je de Jezuïeten begrijpen. Tafí del Valle is een regio als zovele waar ooit een pre-Columbiaanse beschaving woonde – de Tafí in dit geval. Ze zijn (terecht) groot fan in Zuid-Amerika van plaatsnamen vernoemen naar vroegere beschavingen, en dat is hier dus niet anders. Wat deze vallei (want daar ligt Tafí del Valle in) vooral gevormd heeft, is de komst van de Jezuïeten die hier in 1716 een heleboel weilanden kochten. Niet van de inheemse bevolking natuurlijk, maar van de Spanjaarden die het land aan zichzelf hadden toegeëigend. Wie die Jezuïeten zijn? Precies wie je denkt dat ze zijn: Europeanen die de wereld overgingen om het woord van Jezus te verspreiden. Een beetje een klassieke variant van die evangelisten uit Utah die we in Noord-Chili te pas en te onpas tegen het lijf liepen.

Waar Geertje de ochtend benut om lekker nog even met een koffietje in bed aan de blog te werken, wandel ik alvast naar La Banda, een gehucht aan de andere kant van de rivier van Tafí del Valle. Daar staat namelijk zo’n Jezuïetenmuseum, te vinden in een landgoed gebouwd door die Jezuïeten zo’n twee tot vier jaar nadat ze zich in deze vallei gevestigd hadden. Het is een landgoed met een prachtige kapel die in alles nog lijkt op en voelt als een gebouw dat 300 jaar geleden is gebouwd. Ik loop door die kapel en over het landgoed, maar ook door de woonkamers, de eetkamers en door de keukens. Het is overigens heel duidelijk dat die Jezuïeten zichzelf wel superieur vonden ten opzichte van de lokale bevolking: alle chique kamers met mooie schilderijen en karakteristieke vloerkleedjes waren alleen toegankelijk voor de Jezuïeten. Daar mocht die barbaarse bevolking die hier al eeuwen woonde natuurlijk niet komen.

Dat leer ik allemaal van een gids. Een gids die louter Spaans spreekt, want in oorden als Tafí del Valle is het toerisme nog niet zo groot. Gelukkig gaat dat Spaans al maanden behoorlijk goed, maar toch word ik er zenuwachtig van. Dat Argentijnse Spaans is evenals het Chileense op veel momenten weer een compleet nieuwe codetaal. Wat ze hier doen? ZJ! ZJ! ZJ! ZJ! ZJ! Normaal gesproken spreek je in het Spaans de ‘y’ of de ‘ll’ (dubbele L) uit als een ‘j’. Hier in Argentinië niet. Daar maken ze er een lekkere Franse ‘zj’ van. Combineer dat met het inslikken van een hoop woorden (gelukkig niet zo erg als dat de Chilenen dat doen) en je staat weer voor een nieuwe linguïstische uitdaging. Na ruim twee weken Argentinië merk ik tot mijn opluchting dat het me toch goed afgaat en ik het meeste mee kan krijgen en ook een hoop kan vragen. Ook wanneer we in de kamer komen die vandaag de dag de belangrijkste invloed op de regio heeft. De kaasfabriek. Die Jezuïeten namen namelijk hun kazen en de productie ervan mee naar deze vallei, met als gevolg dat Tafí del Valle en de omliggende dorpen nu in heel Argentinië bekend staan om hun kaasproductie.

De ogen zijn groter dan de mond

Een interessant uurtje later, pik ik Geertje op. We gaan een miniroadtripje maken met Olaf, maar niet voordat we geluncht hebben, of ja ikke dan. Tafí del Valle is tot onze vreugde rond elven een stuk levendiger dan tijdens de siësta in de middag, dus nestelen we ons in weer zo’n typisch Argentijns restaurant. Op het menu staat vandaag de locro. Ken je ‘m nog? Ik mag hopen van wel, want ik beschreef ‘m in het begin van de blog. Typisch Argentijnse pompoensoep die in de winter geserveerd wordt en het geluk wil dat we aan het einde van de Argentijnse herfst zitten. Ik vind ‘m heerlijk, Geertje is een wat minder groot fan. Die houdt het bij een empanada die we erbij bestellen (de specialiteit van de provincie Tucumán is de toevoeging van limoen). Wel vult de lunch. Hij vult enorm, zelfs. En dat zal ons later nog gaan vellen.

We staan er bijna niet meer bij stil, maar het gebrek aan toerisme in Tafí del Valle is heerlijk. In een regio van Argentinië die bij toeristen sowieso nog niet heel bekend is, is Tafí del Valle zelfs een uitschieter naar beneden. Westerse toeristen vinden we niet en de vallei is zo authentiek als-ie maar zijn kan. We rijden Tafí del Valle uit, langs het Jezuïetenmuseum in La Banda en arriveren in La Carrera, nog zo’n gehucht in deze vallei. Want dat is deze vallei: een aaneenschakeling van verschillende dorpjes en gehuchten die lukraak neergeploft lijken. Het is overigens net alsof we in een vulkaankrater zitten. In een heel grote vulkaankrater wel te verstaan en het doet soms een beetje denken aan de koude variant van El Valle de Anton in Panama waar we helemaal in het begin van de reis waren. Aan alle kanten doemen bergen op (dat krater-idee) en te midden van al die bergen ligt een gigantisch meer waar al die dorpjes en gehuchtjes omheen gebouwd zijn. Voor zover we weten is dit geen vulkaan, maar je zou het ons wel wijs kunnen maken dat het er een is.

Dan gaan we de kaas van Jezus proeven. Zoals ik al zei, wordt die kaastraditie van die Jezuïeten vandaag nog levendig in stand gehouden en is de vallei naast een aaneenschakeling van dorpjes en gehuchtjes ook een verzamelplaats van estancias die kaas produceren. Estancia La Carrera is door de Jezuïeten zelf gesticht en bestaat al sinds 1779. Een betere plek om die verse kaas te gaan proeven die in deze vallei wordt geproduceerd, is er toch niet? Het zijn harde kazen, tot mijn vreugde. Geertje is groter fan van de zachte kazen (los van de oude kaas natuurlijk), maar onder het genot van de heerlijke, warme middagzon en een rood wijntje voor Geertje, doet dit kaasplankje afgetopt met ham en appel denken aan een beginnende lentemiddag op een Nederlands terras, maar dan ergens op een afgelegen Argentijnse boerderij met tientallen koeien in de weide achter ons. Ik drink geen wijn. Wat ik drink? Bier. En niet zomaar bier. Een IPA. Van het merk Grolsch.

We zitten zowat in niemandsland. Er wordt in Tafí del Valle nog net niet met paard en wagen gereden, maar om de een of andere reden hebben ze hier op een afgelegen boerderij die alleen te bereiken is via barslechte gravelwegen, een contract gesloten met iets of iemand die ervoor zorgt dat je hier je Grolsch achterover kunt tikken. Het is niemand duidelijk hoe dat bier hier komt. Wel issie lekker, dat wel, maar hij helpt niet mee om die kazen baas te maken, want die locro van de lunch zit nog ergens in de slokdarm. Een tasje om de boel mee te nemen, dan maar. Maar aan alle Tukkers die naar Argentinië willen: neem eens een kijkje in Tafí del Valle.

De hondjesvriend uit de windmolen

Via een alleen maar slechter wordende weg rijden we verder. Google Maps heeft het grootste dorp van de vallei, El Mollar (de windmolen), als bestemming aangevinkt. Voordat we er komen is het genieten geblazen van prachtige, schilderachtige vergezichten en wolken die imposant de bergen indalen. In El Mollar bezoeken Los Menhires. Gratis. Gelukkig maar, want echt de moeite was het niet geweest om hiervoor te betalen. We zien namelijk een verzameling van stenen zuilen die in de grond zijn geplaatst. Die hebben ze hier gevonden en ze zijn gebouwd door de Tafí die hier vroeger leefden. Waar ze voor dienden, weet niemand. Grafstenen? Wellicht. Decoratie? Wellicht. In ieder geval geen gewichten om mee te bankdrukken, want ze wegen ongeveer een ton per stuk. Of die Tafí moeten wel heel sterke lui geweest zijn.

In El Mollar sluiten we af met een biertje en een spelletje. Het stikt in Zuid-Amerika, evenals op andere plekken in de wereld waar de welvaart niet zo ver is als in Nederland, van de straathonden. Vandaag hebben we tot ons jolijt er eentje die graag ons vriendje wil worden en ons overal in El Mollar vergezeld. Bijkomend voordeel (of nadeel): Geertjes hondenwens is tot ongekende hoogtes gestegen.

Dique la Angostura

Onderweg naar onze laatste stop moet we, net zoals de rest van de dag, af en toe een keer stoppen. Landbouwdieren in Tafí del Valle hebben een slecht leven, want te pas en te onpas stuiten we op een wegblokkade gevormd door geiten, lama’s, ezels, koeien of paarden. Wat het is, weten we niet, maar de boerderijdieren hebben hier blijkbaar genoeg redenen om wegblokkades te houden. Deze keer zijn het paarden die zich aan het asfalt vastlijmen. In Tafí del Valle stikt het namelijk van de wilde paarden! Klinkt niet zo interessant, maar dat is het wel wanneer je dus weet dat ze zich iedere vierkante meter van de vallei toe-eigenen. Als we de auto langs de kant zetten en door verzakkend gras en een mijnenveld van paardenstront (het is alsof je Minesweeper speelt op zo’n oude computer met Windows 95, maar dan met poep) naar het meer Dique la Angostura wandelen, moeten we dus ook uitkijken niet vertrapt te worden door een paard. Dat lukt, maar de grond zakt wel steeds verder weg onder onze voeten. Mijn drang om aan al het water dat ik zie te voelen, moet ik ook laten schieten: de laatste meters van de oever zak ik decimeters de grond in en als ik Tafí del Valle nog levend wil verlaten, moet ik aan de deze wens verstek laten gaan. Geen zorgen: op vijf meter van het meer is Dique la Angostura waar de wolken al langzaam in het dal dalen, nog even magisch en mystiek als dat de naam doet vermoeden.

Drunken driving

De roadtrip zit erop! We komen op een goede verharde weg terecht, maar moeten toch nog één keer stoppen. Géén dierenprotest deze keer, maar een politiecontrole. Nou klinkt dat spannender dan het is, want politiecontroles zijn in Argentinië zo alomtegenwoordig als de siësta’s, dus dat zijn we gewend. Steekproefsgewijs plukken ze er zo nu en dan een auto uit, maar meestal kun je doorrijden. Deze keer zijn we wel heel nerveus. Waarom? Ik heb vandaag twee bier op. Terwijl we wachten, dringt het opeens tot me door: hoe zit het met de alcoholregels in Argentinië? We zijn fel tegenstander van rijden onder invloed en ik durf met zekerheid te zeggen dat ik in Nederland nog nooit met te veel alcohol op achter het stuur heb gezeten, maar in Nederland mag ik er natuurlijk twee nemen en zonder erover na te denken hebben we die regels ook op Argentinië geprojecteerd. Dus Geertje gaat op mijn verzoek aan het speuren op de telefoon. Wat blijkt? EEN BELEID VAN ZERO TOLERANCE IN ARGENTINIË! Shit. Wat dom. Waarom hebben we dit niet gecheckt!? Zo nonchalant mogelijk naderen we de mannen in het donkerblauw, hopend dat het zweet op ons voorhoofd ons niet verraadt, en tot onze gigantische opluchting gebaart de agent onmiddellijk dat we door mogen rijden. Een even zo nonchalant bedankje met de linkerhand volgt en een hartaanval en rechtszaak in Argentinië blijven ons bespaard. CHECK DE WETGEVING, MENSEN!

Op 11 juni is het tijd om door te gaan. Op naar de laatste stop van deze fabelachtige roadtrip: Cafayate. We rijden de vallei uit via de Ruta 307 en op de Ruta 40 nemen we vrijwel meteen een afslag. Op weg naar Cafayate bezoeken we namelijk de allerlaatste pre-Columbiaanse ruïnes van deze reis en omdat we nog in de provincie Tucumán zijn en nog net niet in Salta, plak ik 'm erbij in deze blog. Niet de minste ruïnes overigens: als Machu Picchu niet bestaan had, hadden de Ruinas de Quilmes wellicht de eerste plek in handen genomen.

De strijders van Argentinië

Voor we de ruïnes bezoeken, mogen we een museum betreden dat ons de achtergrondinformatie geeft om de ruïnes die we dadelijk gaan bekijken, nog meer te waarderen. Effe eerlijk: dit museum is GOED! In deze ruïnes leefde het volk Quilmes. Natuurlijk, de Inca’s zijn de grote meneren van het Zuid-Amerikaanse inheemse volk, maar die Quilmes? Die mochten er ook wezen. Het Incarijk liep in haar hoogtijdagen helemaal tot aan Mendoza, meer dan 1000 kilometer ten zuiden van de ruïnes van de stad waar dit volk woonde, maar nooit is het de Inca's gelukt om de Stad van de Vrede en de Stad van de Oorlog (zo heetten die stadjes van de Quilmes) te veroveren. We hebben het dus over een sterk volkje, zul je wel begrijpen.

We krijgen een film te zien in het museum. Tien minuten hangen we in een zaaltje waar we in ons eentje zitten, aan de lippen van de narrator die ons door de periode van de Quilmes heen lult. Hoe ze hier gekomen zijn, waarom ze deze plek kozen, hoe ze hun steden bouwden. Maar wat vooral het interessantst is: hoe sterk, strijdlustig en standvastig ze waren. Op een gegeven moment hield het namelijk voor heel inheems Zuid-Amerika op. Je weet wel, toen de Spanjaarden kwamen. Die roeiden volk na volk uit. Die Quilmes? Die hielden, net zoals ze dat tegen de Inca's deden, gewoon stand. 130 jaar maar liefst. Waar de Inca’s relatief snel gedwongen waren met de witte vlag te zwaaien, zijn de vestigingen van de Quilmes 130 jaar lang een doorn in het Spaanse koloniale oog geweest. De film geeft fantastisch weer hoe het gevoeld moet hebben om als Quilme op de berg te staan om in de verte de Spanjaarden aan te zien komen. Het moet een imposant beeld geweest zijn: mensen die eruit zien zoals mensen die je nog nooit hebt gezien, met harnassen van niet te penetreren staal terwijl je zelf nog in je doekje en lamahuid rondhuppelt, op vierpotige beesten (paarden) die je nog nooit hebt gezien, met wapens die hier knallen waarna er daar iemand dood neervalt. Als je je zou willen voorstellen hoe een alieninvasie voelt waarbij die aliens in alle technologie veruit superieur zijn ten opzichte van ons, dan moet je even een tijdreis maken en bij die Quilmes aan de deur kloppen. De invasie van de Spanjaarden was voor hen zoals een alieninvasie voor ons zou zijn.

En toch hielden ze stand. Gehuld in lamahuiden in plaats van staal, met pijl en boog als wapens tegen de Spaanse artillerie en verder niets meer dan het hart en de wil om je eigen stad te verdedigen. Zó indrukwekkend, want je moet toch doodsangsten gevoeld hebben als er opeens een stel moordlustige equivalenten van goden op de deur bonken. Dat gevoel nemen we mee naar de ruïnes, maar niet voor we de rest van het museum bekeken hebben. Geertje vermaakt zich prima in een kamer waarin tekenfilmpjes een goeie voorstelling geven van hoe de Quilmes leefden, terwijl ik me vergaap aan een meterslange tijdlijn die alle belangrijke momenten in de geschiedenis van de Quilmes beschrijft. Helaas moet het allerlaatste punt de tijdlijn een punt uit 2022 zijn met Messi die de Wereldbeker de lucht inhoudt. Dat heeft werkelijk niks meer met die Quilmes te maken, maar alleen maar om mij te sarren. Het is alsof ze weten dat er vandaag Nederlanders op bezoek zouden komen.

Gelukkig is dat trauma alweer snel de kop in gedrukt wanneer we het museum uitlopen en de ruïnes gaan verkennen. Wat zijn deze ruïnes geweldig! Een waardige ruïneafsluiting, als je het ons vraagt. De ligging is fenomenaal: op twee uitstulpingen van de berg zijn ruïnes te vinden die over een vlakke, dorre steppe uitkijken. Da’s de Stad van de Oorlog (Ciudad de la Guerra). Niet dat hier oorlogje gespeeld werd door de kinderen, nee, want hier werden soldaten klaargestoomd voor het verdedigen van hun stad. Nu begrijp je meteen waarom dat fort van die Quilmes nooit succesvol overgenomen is: de berg zelf van achteren is zo stijl dat-ie niet te beklimmen is en op de steppe groeit nog geen kerstboom al had je ‘m door de kerstman zelf laten planten. Toen die Inca’s en die Spanjaarden kwamen, kon je urenlang pijlen schieten vanaf die uitstulpingen voordat ze überhaupt in de buurt waren. Tussen die uitstulpingen ligt de Stad van de Vrede (Ciudad de la Paz). Daar werd niet gevochten. Daar kookten de vrouwen het eten en hoedden de herders hun vee. Had ik je al verteld dat dit een grote ruïne is? Nee? Nou, dan doe ik het nu. Dat-ie fantastisch is had ik wel al gezegd. Maar dat doe ik nu dan nog een keer. Hij is fantastisch. Met een tevreden gevoel kunnen we door naar Cafayate.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.