Hokitika - één met de natuur

Gepubliceerd op 13 juli 2026 om 07:30

In Nelson zetten we de wekker, maar dat was een wekker die we niet hadden hoeven zetten. Het is om half acht in de morgen dat het brandalarm van ons Victoriaanse hotel ten onrechte afgaat en we slaapdronken onze spullen inpakken alvorens Geertje op de gang ergens hoort dat het vals alarm is en we weer terug op bed gaan zitten. Zitten ja, want het kwaad is al geschiedt en we zijn toch al wakker. Bij daglicht blijkt Nelson precies zo’n aantrekkelijk stadje te zijn als in het duister van de avond en dus is de beslissing om een klein rondje door het stadje te rijden al snel gemaakt.

Maar lang blijven we niet. Je hebt in de titel al gelezen hoe het dorp heet waar Elsa naar toe tuft (het zal ons tot de dag waarop we weggaan duren voordat we de tongbreker die Hokitika is structureel foutloos kunnen uitspreken) en dat is meer dan vier uur rijden vanaf Nelson. Dat brandalarm dat ons zo vroeg wekte, was dus zo erg nog niet, want we hebben een lange rit voor de boeg en we willen ook een paar stops maken. Mini roadtripje in de roadtrip dus!

Van Nelson naar Hokitika

Kiwikoffie

De eerste van de drie stops! Voor degene die de blogs opent omwille van onze beeldschone foto’s, zal Murchison niet zo heel boeiend zijn. Murchison is namelijk een koffiestop. Wat we bestellen? Twee flat whites! Als je niet weet wat daar nou zo bijzonder aan is, dan zal ik er maar even bij vertellen dat de flat white z’n oorsprong kent in Nieuw-Zeeland. Een echte Nieuw-Zeelandse koffie dus. Smaken doet-ie overigens niet. Dit is Geertjes eerste en laatste flat white in Nieuw-Zeeland (te slap) en ik drink verder alleen maar betere flat whites dan deze hier in Murchison. De melk smaakt alsof je er drie pissenbeddenfamilies in hebt gegooid om ze te verzuipen waarna je de melk een week of drie laat fermenteren. Maar dat is oké. Ik zoek gewoon naar een bruggetje om die flat white ergens in één van de blogs te fietsen en da’s gelukt.

De vrouw die ons te woord staat is overigens ook bloedchagrijnig. En dat zijn we niet gewend. Ik had het in Picton nog over die senioren in Oxley’s waar we onze eerste groenschelpmosselen aten. Of denk even aan die allervriendelijkste Gary van het Tombstone Motel. En wat te denken van Will en Waikohatu die nota bene in Hokitika wonen? Nee, de mensen op het Zuidereiland zijn zó openhartig en vriendelijk, dat we ons weer in Zuid-Amerika wanen. Maar de mevrouw van het café in Murchison? Die heeft in haar basisschooltijd nooit leren glimlachen.

De kloof van de goudzoekers

Snel door naar de Buller Gorge die net buiten Murchison ligt. De naam verraadt al veel: de Buller Gorge is de kloof waar de rivier de Buller doorheen knalt. ‘Knalt’ ja, want dat patent dat Nieuw-Zeeland heeft op snelstromende rivieren, gaat hier vrolijk verder. De Buller is wat rustiger dan de andere rivieren die we hebben gezien, maar nog steeds een beekje waar je liever niet in wil vallen, maar wat de rivier echt bijzonder maakt is de langste hangbrug van Nieuw-Zeeland die eroverheen loopt! 19 meter boven het bruisende water, 110 meter in lengte en als je naar beneden kijkt, dan kijk je door een roostervloer recht op het gutsende water. Als je eroverheen bent, is de enige weg terug óók weer over die brug. Ik lach al in het vuistje als ik aan Geertjes hoogtevrees denk en, maar als ik oversteek en achter me kijk, ben ik enorm van m’n stuk gebracht. Loopt Jezus Christus over de brug? Nee, zeker niet, maar wat hier gebeurt is nóg unieker: het is Geertje die over die brug loopt alsof ze op een warme lentedag door een tulpenveld huppelt. Serieus: WAAR IS HAAR HOOGTEVREES GEBLEVEN!? Echt, we hebben beiden geen idee welk mirakel hier uit de hoge hoed getoverd is, maar het lijkt erop alsof haar hoogtevrees opeens verdwenen is. Ik ben apetrots, in ieder geval.

Als je dat indrukwekkende bruggetje over bent, is het nog niet gedaan met de pret. Aan de andere kant kunnen we namelijk nog een wandelingetje maken! We lopen in een minuut of twintig door een bosrijk gebied en buiten het feit dat het hier weer heel mooi en typisch Nieuw-Zeelands groen is, is er ook nog wat interessante geschiedenis te vertellen over de bossen van Buller Gorge. Buller Gorge was namelijk een voormalige goudzoekershemel! Of ja, voormalig: vandaag de dag wordt er nog steeds aan de oever van de rivier druk goud gepand door zowel locals als door toeristen (wat je vindt mag je houden, maar daar komen wij pas bij terugkomst achter). Niet alleen aan de twee vrouwen die voorover gebukt bij de oever staan zien we de historie van deze goudzoekersplaats, want ook tijdens die wandeling zien we een paar in het bos verstopte oude werktuigen die bruin zijn van de roest en de tand des tijds, een mijnschacht en een paar oude mijnhutjes waar gelukszoekers de nachten doorbrachten. Zomaar even een stopje, die Buller Gorge, maar een stuk interessanter dan we hadden verwacht.

Pannenkoeken

De derde en laatste stop is Punakaiki. Ook wel bekend als de Pancake Rocks. De naam laat zich raden: in twintig minuten maken we een prachtige klifwandeling langs allemaal rotspartijen met vreemde vormen waarin laagjes op elkaar stapelen. Net alsof, jawel, er een hoop pannenkoeken op elkaar gestapeld liggen! Met dat ritje van Nelson naar Hokitika is helemaal niks mis.

Met Hokitika is wél wat mis. Twee dingen zelfs. Allereerst: het weer. We beseffen dat we behoorlijk veel geluk hebben gehad met het weer in de Nieuw-Zeelandse winter, maar zodra we Hokitika naderen, wordt duidelijk dat dat geluk op begint te raken. De hemel kleurt onheilspellend grijs en het zal niet lang duren voordat God z’n blaas op ons leegt alsof hij al maanden niet heeft gepist. Ten tweede: de enige supermarkt in het 3400 neuzen tellende dorpje. Die heeft namelijk DOODLOPENDE GANGPADEN! Echt waar, hoe verzin je een supermarkt waarin je gewoon VIJF afzonderlijke doodlopende gangpaden vindt!? En je kunt je winkelwagentje er nog niet keren al kon je ‘m dubbelvouwen. Als klap op de vuurpijl moet ook IK rennend de regen door om die supermarkt in te gaan, want bij het afrekenen krijgt Geertje weer de wijn niet mee omdat ze hier niet geloven dat Gigi de achttien reeds gepasseerd is! Geen uitzondering overigens, want Geertje moet steevast haar identiteit aan de Kiwi’s verifiëren, want als ik er niet bij ben, dan denken Kiwi’s dus blijkbaar dat Geertje een opstandige, experimenterende puber is.

Het vakantiepark waar we twee nachten in blijven slapen, is er dan wel eentje die aan veel verwachtingen weet te voldoen. De verwarming kan op standje Egypte, de keuken is van zoveel gemakken voorzien dat het wonder zich voltrekt dat ík vanavond een keer ga koken en er is een heuse speelruimte waar we kunnen pingpongen. Wel is het zo dat ik alle hoeken van de tafeltennistafel te zien krijg de komende dagen, maar plezierig is het allemaal wel. Het is er zelfs zo leuk, dat we de honderd buitenmeters die we moeten overbruggen om door de stromende regen van ons huisje naar het wc-gebouw te komen, door de vingers zien. Maar ja, die stromende regen hé… die blijft maar met bakken uit de hemel vallen. En dat zal nog een probleem worden de komende dagen.

koloniale arrogantie

De wekker gaat vroeg. Geen vroege WK-wedstrijd vandaag, maar een vroege rit naar het zuiden. Vanaf Hokitika is het een uur en drie kwartier naar het pittoreske dorpje Franz Josef. Klinkt niet heel erg kiwi-achtig, maar dat is te verklaren. Franz Josef is vernoemd naar de immense Franz Josef Gletsjer die er te vinden is. Het was de Oostenrijker Franz Josef die de gletsjer ‘vond’ en ‘m naar zichzelf vernoemde. Hoge eigendunk, hoor. Ik schrijf vond tussen aanhalingstekens, want de naam Franz Josef Gletsjer is weer zo’n typisch voorbeeld van Westers ontdekkingsnarcisme. Die gletsjer was natuurlijk al lang door de Maori ontdekt voordat Franz Josef op hoge poten aan kwam zetten, maar toch kent de hele wereld de gletsjer als de Franz Josef Gletsjer. Echt, dit vind ik zo verschrikkelijk en ik vind echt dat we er werk van moeten maken om natuurverschijnselen bij de oorspronkelijke inheemse namen te houden, want waar het eigenlijk gewoon al bijzonder narcistisch en hooghartig is om een plek te vernoemen naar jezelf terwijl die plek al lang en breed een andere naam heeft, is de Europese naamgeving doorgaans zo inspiratieloos als een reclameposter die door ChatGPT is gegenereerd. Ook hier: de naam die de Maori gaven aan de gletsjer was Kā Roimata o Hine Hukatere. De vertaling? De Tranen van Hine Hukatere. Die naam is toch duizendmaal mooier en mythischer? Nog een voorbeeld dat me te binnen schiet, zijn de Victoria Falls op de grens van Zambia en Zimbabwe. Vernoemd naar Queen Victoria. Doodsaaie naam. De naam die door de oorspronkelijke bevolking bedacht was? Mosi-oa-Tunya. Vertaling: de Rook die Dondert. Maar nee, het westerse namennarcisme zorgt ervoor dat wij Victoria Falls en Franz Josef Gletsjer zeggen. Om het nog even wat tastbaarder te maken: dit is allemaal precies hetzelfde als wanneer de Britten nu naar Nederland zouden komen en de Veluwe zouden omdopen tot Queen Elizabeth’s Woods of iets dergelijks, waarna de hele wereld ook echt die naam zal gaan gebruiken. Bah. Dat is toch idioot?

De helikoptercrash

Maar goed. De Tranen van Hine Hukatere dus. Ik ga principieel het woord ‘Franz Josef Gletsjer’ niet meer gebruiken in deze blog. Het is donker als we om kwart voor 7 in de auto zitten en dat zal het ook nog lang zijn. De ruitenwissers van Elsa draaien overuren en het zal tot 8 uur duren voor de zon opkomt dus als Geertje lekker haar oogjes dicht zou doen, mist ze niks. Maar ze houdt haar ogen voor de verandering een keer open. We hebben namelijk een tour geboekt en Geertje is zo alert als een havik, want het regent pijpenstelen aan de westkust van het Zuidereiland en na ieder trillinkje van de telefoon volgt een hartverzakking veroorzaakt door de angst dat we die tour, die best wel weerafhankelijk is, niet zouden kunnen doen. Die Tranen van Hine Hukatere willen we bezoeken met, jawel, een helikopter! We zitten in de laatste weken van onze reis en met een paar knallers willen we terug naar Nederland gaan. De gletsjer ligt best ver weg en is heel moeilijk te bereiken, dus een helikoptervlucht is dé beste manier om Kā Roimata te bezoeken. En die krijg ik ook nog eens van Geertje cadeau omdat ik over tweeënhalve week jarig ben! Effe serieus: er zijn minder gave verjaardagscadeaus, hé? Als dat allemaal nog niet gek genoeg is, is het ook nog eens 14 juli! 14 is mijn geluksgetal en 7 die van Geertje. Nou, dat moet dus goedkomen, hé?

Nou, nee. Tegen achten krijgen we bericht dat de helikoptervlucht gecanceld wordt. Het is ook niet gek: de lucht is zo grijs als het kapsel van een 90-jarige en er valt in een minuut meer regen dan dat er in die Atacama-woestijn waar we twee maanden geleden waren in honderd jaar valt. Het is simpelweg niet veilig genoeg om Kā Roimata te bezoeken en hoewel we balen als een doos met honderd stekkers, is het laatste wat we willen de voorpagina van de lokale krant halen middels een helikopterongeluk. De foto's hierboven en hieronder zijn dus alleen maar een impressie van dat wat we gemist hebben.

Op bezoek bij ome Franz

Toch gaan we nog even wat ontbijten in Franz Josef (het dorpje, niet de gletsjer zelf want anders had ik de woorden ‘Franz’ en ‘Josef’ niet gebruikt). We waren immers nog twintig minuten van dat dorpje verwijderd en we hebben besloten weer en wind te trotseren om de Tranen van Hine Hukatere middels een hike met eigen ogen te zien. De wandelschoenen gaan aan en de driedubbele lagen gaan onder de waterdichte windjassen. Wij kunnen ertegenaan. Op naar die tranen. Door de stromende regen wandelen we door (weer) een regenwoud en het is een kwestie van minuten voor we veranderd zijn in sponzen op twee benen. Bij het eerste uitzichtpunt zien we een gigantische, maar dan ook echt gigantische, kloof. Aan weerszijden van die kloof stijgen de bergen begroeid met het groen van het regenwoud op, terwijl het midden van de kloof bestaat uit steen, steen en nog eens steen. Een bizar, maar logisch contrast: het is hier waar honderd jaar geleden de gletsjer nog imposant boven het regenwoud uittorende en zich een weg in het groene landschap sleet, duwde en wurmde. De opwarming van de aarde heeft een dramatisch effect op de Tranen van Hine Hukatere gehad en de gletsjer is een paar kilometer naar achter gesmolten. Ongelofelijk hoe veel zo’n gletsjer in relatief zo weinig tijd kan krimpen. We lopen verder, maar dan valt er een baksteen in onze maag: het wandelpad is afgesloten wegens het slechte weer. Nét op een plek dat we de gletsjer bíjna kunnen zien. We kijken kilometers de kloof in en we weten van de informatiebordjes dat die gletsjer precies om de hoek waar we naar kijken, begint. Maar daar kunnen we niet komen. Kā Roimata o Hine Hukatere zal voor ons slechts een fantasiebeeld in onze hoofden blijven.

Het vijvertje van Peter

Je kunt niet alles hebben, maar 14 juli is in het jaar 2026 voor de verandering niet onze geluksdag. Bij terugkomst zien we dat er een kort wandelingetje naar een klein kettle lake te vinden is, een gat dat ontstaat door de druk van een gletsjer op het aardoppervlak dat daarna volstroomt met smelt- en regenwater. Peter’s Pool heet het en dit is een naam die ons wel weet te bekoren. Meer dan 100 jaar geleden was het de negenjarige Peter die hier met zijn moeder kampeerde. Het is vandaag de dag al verre van dichtbevolkt op het Zuidereiland, maar ik kan me niet voorstellen hoe één je met de natuur moest zijn geweest wanneer je hier honderd jaar geleden was en er geen menselijke kip in je nabijheid te vinden was. Bovendien zou Peter in die tijd bij dit meertje aan de voet van de gletsjer hebben gestaan, waar wij er nog geen glimp van weten op te vangen. Het voelt bijna een beetje melancholisch.

Op zoek naar de kiwi

We likken onze wonden en gaan weer terug naar Hokitika. Hoewel de regen minder hard is, is ook in Hokitika het weer niet je van het en we moeten de plannen wijzigen. Buitenactiviteiten gaan van de baan: we gaan naar binnen! In het centrum van Hokitika lopen we binnen bij het Kiwi Reservation Centre. De illustere kiwi is namelijk een enigma in onze reis door Nieuw-Zeeland, maar hier hopen we het schuwe nachtdier dat synoniem staat voor de trots van de Nieuw-Zeelanders toch tegen het lijf te lopen. Als we binnenkomen, worden we het doelwit van de spraakwaterval die uit de mond komt van de jolige man achter de balie waarin het gesprek op een gegeven moment zelfs hydro-energie op het Zuiderereiland aansnijdt. Hokitika is maar een minidorpje en deze kornuit zal wel niet zo heel veel te doen hebben op een dag. Het Reservation Centre kenmerkt zich door een groot opgezet aquarium en we zien verschillende soorten vissen, salamanders, axolotls en zelfs een enorm reservoir dat vol zit met een stuk of 15 murenes! Indrukwekkend en we vermaken ons prima, maar het doel van dit bezoek is natuurlijk die schattige kiwi. En die vinden we! In een ruimte die aardedonker is waar je echt wel een seconde of tien aan het duister moet wennen, is een verblijf voor de kiwi’s gerealiseerd. Eerder zagen we al genoeg weka’s in de bermen langs de wegen, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de kiwi inderdaad veel leuker is dan de weka. De snavel is op een gekke manier heel lang, kiwi’s zijn groter dan de weka en ze hebben een lichaam dat bijna zaligmakend rond is. Helaas is het ten strengste verboden om een foto te maken in dit verblijf, dus geloof ons maar op ons woord dat we twee kiwi’s hebben gezien. Je zult het moeten doen met de foto die we bij het verlaten van het Reservation Centre van die jolige kameraad achter de balie krijgen.

Oh ja, ik zou het bijna vergeten, maar tussendoor vinden we nog een heel bijzonder verblijf. Een vijver vol met rivierkreeften waar we op mogen vissen! Als je je de blog van Los Llanos nog kunt herinneren of zelfs nog die van Nong Khiaw in Laos, dan zul je weten dat Geertjes hoofd bij het werkwoord ‘vissen’ ook helemaal op hol slaat. Als een vis in het water is ze in dit kleine visvijvertje en toegegeven: ik ook! Het vissen naar rivierkreeften is vrij makkelijk en we zijn zo een halfuurtje verder terwijl we diep geconcentreerd een voor een die beesten uit het water weten te trekken! Houden mogen we ze niet, dus na onze viskunsten op de vijver botgevierd te hebben, zitten er in de vijver nog net zo veel rivierkreeften als ervoor.

We hebben nog wat tijd te doden. Niet veel, maar om 15.00 hebben we met wat oude bekenden afgesproken. Perfect om even de vele spelletjes van onze camping uit te testen. Soms zijn we ook maar gewoon kind, hé.

Meeten met de Maori

In de middag gaan we meeten. Het is droog en Waikohatu, de vrouw die we met haar man Will in Picton ontmoetten, wil ons naar een paar van haar favoriete plekjes in Hokitika brengen. De eerste is de Glow Worm Dell. Een verborgen plekje waar alleen de locals van weten waar we ontelbare glimwormen kunnen vinden. Een verborgen plekje is het zeker, want naast het feit dat de inwoners van Hokitika deze plek normaal gesproken niet met toeristen delen (wij mogen het ook niet doorvertellen), ligt deze glimwormplek pal aan de rand van de weg, maar je zou er honderd keer langs rijden zonder de opening te zien die compleet gecamoufleerd is achter takken, gebladerte en de groene rotswand. Waikohatu neemt ons mee door die opening en achter die opening is een soort groeve te vinden, een open plek achter dichte bebossing. Alsof het een geheime plek is waar elfjes en kaboutertjes samenkomen. Een magische, mooie plek en Waikohatu zegt ons dat we vanavond in het donker maar eens terug moeten komen. Dat zullen we dan maar doen, hé?

Een meer van bloed

We rijden door naar Lake Mahinapua, een plek die voor Waikohatu een bijzondere betekenis heeft. Waikohatu is van Maori-afkomst en aan de oevers van dit meer heeft een slag plaatsgevonden tussen twee stammen van de Maori. De lichamen van de gesneuvelden liggen naar verluidt nog steeds op de bodem van het meer. Het is om die reden dat er volgens Maori-tradities niet in Lake Mahinapua gezwommen of gevist wordt, want het water is door het bloedvergieten verontreinigd. Het meer is mooi, maar in al het natuurgeweld van de afgelopen zesenhalve maand, verdwijnt het meer een beetje. Zonder het indrukwekkende verhaal dat Waikohatu ons vertelt, is het niet meer dan dat: gewoon, een meer. Dus kletsen we wat aan de oever met Waikohatu. Het is een doodnormale dinsdag, dus Will is gewoon aan het werk vandaag. Waikohatu heeft twee weken vakantie, want ze is basisschooljuffrouw en we zitten in de twee weken durende wintervakantie. Op de school waar Waikohatu onderwijst, geeft ze al haar lessen in Te Reo Maori, de oude Maori-taal. Indrukwekkend. Intussen is Will ook bijna klaar met werken en het eten kookt zich niet vanzelf. Na van de natuur en de mooie verhalen van Waikohatu genoten te hebben, nemen we afscheid en rijdt Waikohatu met haar Toyota de heuvel op en het park uit. De oudste vrienden die we deze reis gemaakt hebben, maar daarom geen minder mooie vriendschap.

Wij gaan nog niet weg uit het park. Er is nog een klein wandelingetje te maken nabij het park door een dicht deel van het prachtige regenwoud dat door de westkust van het Zuidereiland gekenmerkt wordt. Mede door de droogte is deze wandeling misschien nog wel mooier dan die van vanochtend.

De magie van glimwormen

En het blijft droog wanneer we die gekke supermarkt ingegaan zijn en terugrijden naar de Glow Worm Dell. Waikohatu had niet gelogen: in het pikkedonker hebben we hier een waar pareltje ontdekt waarvan ik zeker weet dat er in de reisgidsen en de toeristenwebsites met geen woord over gerept wordt. In het donker is het alsof we door een hemelpoort gelopen zijn en ons ergens tussen de sterren bevinden. Het enige licht dat we zien komt door het dichte bladerdek en vooral van de honderden glimwormen die de muren en de kleine spelonken in de rotswand bekleden. Met iedere minuut dat we wachten wordt het net wat donkerder en met iedere minuut dat het donkerder wordt, verschijnen er weer nieuwe glimwormen op de wanden die er eerder nog niet zaten. Meer dan een halfuur staan we ons te vergapen aan de blauwe lichtshow die de glimwormen ons geven. Het is verschrikkelijk lastig om dit fatsoenlijk op camera vast te leggen (flitser aanzetten betekent dat het licht van de glimwormen verdwijnt), maar het is magisch. Alsof we door een portaal gestapt zijn en in een fantasyfilm zijn beland.

De tocht over Arthur's PAss

De laatste volledige dag in Nieuw-Zeeland is aangebroken en nadat we Spanje van Frankrijk hebben zien winnen in de vroege ochtend, is het tijd om oostwaarts te reizen. De laatste dag staat in het teken van de reis naar Christchurch. Gelukkig belooft het totaal geen saaie dag te worden, want laat de route naar Christchurch die het Zuidereiland doorkruist via de bergen van Arthur’s Pass nou net de mooiste van heel Nieuw-Zeeland blijken. De bergen van Arthur’s Pass zijn tussen de 2000 en 2500 meter hoog en hoewel dat getallen zijn waar we na Zuid-Amerika niet meer van opkijken, bevinden we ons het grootste deel van de route op zo’n 700-900 meter boven de zeespiegel. Dan kun je je voorstellen dat die bergen opeens enorm zijn.

Otira Gorge

We maken ook wat stops. De eerste is een uitkijkpunt in de Otira Gorge. Bovenop een berg kijken we uit over een gigantisch, adembenemend ravijn waar een viaduct dwars doorheen is gebouwd. Een viaduct waar we zelf net over gereden hebben, maar dat we pas van hierboven goed weten te waarderen, ondanks de hevige regen die de indruk wekt dat we zwemmen. Alsof de natuur en menselijke technologie hier een prachtig duet zingen.

Spelonken

Zwemmen doen wij overigens ook echt, want het regent en waait vandaag niet minder hard dan gisteren. Gelukkig is dit de laatste bui die we zullen hebben. De bergen blokkeren de regenwolken en als we een paar passen over zijn, zal de lucht slechts hemelsblauw kleuren en zal de godenpis tot het verleden behoren. Dat is wel prettig als we bij Cave Stream Scenic Reserve uitstappen om een wandeling van een kilometer te maken. Het doet bijna denken aan Chili of Bolivia waar we lopen. Onherbergzame bergtoppen met bruingele vlaktes en rotspartijen die her en der uitgestrooid zijn in het landschap. We vinden ook een 600 meter lange grot die door ervaren cavers doorkruist kan worden, maar dat gaan wij niet doen. Als we hier die grot ingaan, dan zal die rivier die er doorheen gutst ons meenemen en komen we er aan de andere kant levenloos weer uit. Nee, wij genieten wel van de bergen erboven. 

Narnia

De laatste stop in de bergen van Arthur’s Pass voor we het laagland van de oostkust betreden, is Castle Hill. Als je denkt dat je hier een kasteel kunt vinden, kom je bedrogen uit, want het zijn slechts rotspartijen die het landschap hier versieren. Als je mooie natuur verwacht, kom je níét bedrogen uit. Gelukkig had Geertje zich ingelezen en verwachtten wij dat tweede. Een bijzondere locatie ook, want net zoals zo veel plekken in Nieuw-Zeeland, is ook Castle Hill een filmlocatie. Niet voor mij deze keer, maar eentje die voor Geertje heel boeiend is. Door de overstromingen ten zuiden van Kaikoura, heb ik mijn Lord-of-the-Rings-wensen bij moeten stellen en van de lijst moeten schrappen, maar nu staan we oog in oog met een locatie waar een scène uit De Kronieken van Narnia is opgenomen! Een film uit Geertjes jeugd, maar eentje die ik dan weer nooit heb gezien. Wel jammer dat er bij Geertje bij het zien van die rotsen nog geen waxinelichtje gaat branden.

Gele gezichten

De wandeling daar slaan we over. Om vier uur moet Elsa ingeleverd worden in Christchurch, dus we moeten door en er zijn nog twee stops die we willen doen. De eerste is in het dorpje Springfield. Klinkt Springfield bekend? Nou, als je van The Simpsons houdt misschien wel. Het fictieve dorp waar die reuzenminions wonen heeft totaal geen connectie met het Springfield van Nieuw-Zeeland, maar ter promotie van de film van The Simpsons, heeft de verantwoordelijke filmstudio een reuzendonut gedoneerd aan het Nieuw-Zeelandse Springfield. Geen lange stop, maar een klassiek gevalletje van foto schieten en weer door. Nieuw-Zeeland heeft het filmtoerisme wel uitgespeeld, hoor.

New Zealand Pie

Voordat we Christchurch binnenrijden, doen we een late lunch in Sheffield. Geertje heeft van een of andere reisinfluencer (irritante lui hé, zo zijn wij totáál niet natuurlijk (…)) gezien dat hier de lekkerste pies van Nieuw-Zeeland gemaakt worden. Ik heb je in Wellington al verteld over het iconische tussendoortje van Nieuw-Zeeland, maar hier gaan we onze honger even de vrije loop laten over deze gevulde bladerdeegtaartjes. En wat zijn ze lekker! Ik was al om, maar Geertje stapt ook op de pie-trein die zojuist met volle vaart vertrokken is. “Gelukkig kom ik hier nu pas achter,” stelt Geertje, “want anders was ik hier twintig kilo aangekomen.” Ik ben het met haar eens. Nieuw-Zeelandse pies zijn goddelijk.

Het afscheid in Christchurch

En dan zijn we in Christchurch. Hier hebben we maar één avond te vertoeven, dus we wassen Elsa van binnen en van buiten, geven haar nog één keer wat te drinken en na Zorro, Snowie en Olaf nemen we afscheid van ons vierde en laatste vier wielen tellende ros van deze reis, hopend dat ze door de keuring komt vanwege in flinke deuk in haar achterwerk en een sterretje in de voorruit. Tranen met tuiten worden er gejankt, maar het is niet anders. Elsa moet in Nieuw-Zeeland blijven. 

Het verdriet stillen we die avond maar in de stad Christchurch. Ik krijg een rugbyshirt van de All Blacks als verjaardagscadeautje (de bungeejump en de helikoptervlucht is natuurlijk niet doorgegaan, dus poging drie voor een verjaardagscadeau is dan eindelijk gelukt), we weten op de valreep nog een shotglaasje op de kop te tikken en we zijn een sleutelhanger rijker met de Maori-naam voor Nieuw-Zeeland Aotearoa erop. Ook weer zo’n mooie naam hé, Aotearoa. Het land van de lange witte wolk, betekent het. Maar nee, er was natuurlijk ooit een Nederlander die hier naartoe geroeid was en vond dat Aotearoa naar één van onze twaalf provincies genoemd moest worden en nu noemt de hele wereld het land New Zealand in plaats van het veel mooiere Aotearoa. Ik voel de drang om eens even goed te zuchten.

Christchurch blijkt een leuke stad te zijn. Misschien wel de leukste van de grote drie waar ik Auckland en Wellington ook onder schaar. In die andere twee hebben we twee nachten vertoefd maar misschien hadden we voor twee nachten beter Christchurch kunnen kiezen. Het is een moderne stad met mooie restaurants en prachtige architectuur. Volgens Kirk, de taxichauffeur die ons een dag later naar het vliegveld zal brengen, was Christchurch ooit een lelijke stad, maar in 2011 werd zowat 90% van de stad door een joekel van een aardbeving met de grond gelijk gemaakt en moest die hele stad opnieuw gebouwd worden. Gelukkig hebben ze dat goed aangepakt want het resultaat mag er zijn. De tweede stad van Nieuw-Zeeland qua inwoners voelt dan ook als de perfecte plek om ons avontuur in Nieuw-Zeeland te beëindigen met een drankje en een heerlijke maaltijd. Van de drie keer dat we buiten de deur gegeten hebben in Nieuw-Zeeland, was deze derde keer de lekkerste.

En dan is het 16 juli. Over anderhalve week vliegen we naar ons kleine kikkerlandje. Maar er staat nog één laatste land op onze lijst. Een onbekend land. Een obscuur land. Eentje waarvan ik zeker weet dat 99% van jullie er nog nooit van gehoord heeft. Om 7 uur zijn we op het vliegveld. Terwijl we de eerste helft van Engeland – Argentinië kijken met een koffie en nog één laatste bladerdeeg-pie vóór de douane, bestellen we het vroegste biertje en proseccootje van deze reis om na de douane de tweede helft te kijken, nadat we de rust in een massagestoel hebben doorgebracht. Argentinië behaalt de finale. De complotdenkers hebben weer wat munitie om te vuren. Daar maken wij ons niet druk om. Of ja, Geertje wel: die keldert in haar Scorito-poule. Als we even later in het vliegtuig zitten, behoort die gedachte alweer tot het verleden. Wij gaan nog even vakantie vieren in Vanuatu.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.